Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Uit het leven van dominee Spurgeon, Trijntje Zegers-Venema

Uit het leven van dominee Spurgeon, Trijntje Zegers-Venema
Model: 9789461152169
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 15,95
Excl. BTW: EUR 15,95
Aantal:  
Uit het leven van dominee Spurgeon, Trijntje Zegers-Venema

Eind juli verwacht.

 

Uit het leven van dominee Spurgeon, De prins der predikers (1834-1891), Trijntje Zegers-Venema

 

Charles Spurgeon werd geboren op 19 juni 1834 te Kelvedon in Engeland. Zowel zijn vader als zijn opa waren predikant. Op 16-jarige leeftijd liet Spurgeon zich door onderdompeling in een rivier dopen. Hij werd baptist. In 1853 (Spurgeon is dan bijna 20 jaar) neemt hij een beroep aan naar Londen. Spurgeon kon uitstekend en boeiend preken. Elke zondag zaten duizenden mensen onder zijn gehoor. Al spoedig was de bestaande kerk te klein en moest worden uitgeweken naar de Metropolitan TabernacleDe gemeente was destijds de grootste ter wereld. Een groot aantal van zijn preken werd in de week nadat ze waren uitgesproken gedrukt. Later werden ze ook vertaald en in verscheidene talen over de hele wereld verspreid. Spurgeon stichtte diverse weeshuizen. Zo sterk was zijn drang om het Evangelie te brengen dat hij ook een predikantenopleiding oprichtte. Spurgeon die aan het eind van zijn leven een slechte gezondheid had en daarom vaak in Zuid-Frankrijk verbleef, overleed daar op 57-jarige leeftijd.

 

Dit historische jeugdboek beschrijft de levensloop van Charles Spurgeon op boeiende wijze. Het is ook een aanrader voor allen die meer over deze bekende en geliefde prediker willen weten.

 

  1.  Een bijzondere zondag

 

Het sneeuwt! Dikke vlokken vallen in Engeland onophoudelijk neer op deze zondagmorgen. Op de straten is het heel stil. Je ziet weinig tot geen mensen lopen. Het is begrijpelijk dat veel mensen om het barre, winterse weer thuis blijven. Om de eenvoudige reden dat zij de gladde wegen veel te gevaarlijk vinden om eropuit te gaan.

En toch, kijk, een eenzame wandelaar worstelt zich door weer en wind vooruit. Je kan goed zien dat het hem bijna niet lukt. Inmiddels is het sneeuwen overgegaan in een echte sneeuwstorm. Wie heeft er toch op deze vroege zondagmorgen iets te zoeken op deze witte en gladde wegen van het dorp Colchester? Dan moet daar toch wel een heel bijzondere reden voor zijn.

Maar sneeuw of geen sneeuw, hij loopt er. Die eenzame wandelaar. Nee, het is geen oude man of vrouw. Je kan het zien: het is een jongeman van ongeveer vijftien jaar! Veel ouder is hij echt niet. Maar ook voor hem wordt het steeds moeilijker om verder te komen. Kom, we gaan het hem vragen: ‘Jongeman, waar ga jij naar toe?’

Ach, het lijkt alsof hij je helemaal niet hoort. Deze wandelaar is heel ver weg met zijn gedachten. En wanneer je dan ook nog in zijn ogen kijkt, wat staan die ogen somber. Heeft deze jongen soms verdriet? Heeft hij pijn of zorgen?

Deze jongen kan maar aan één ding denken. Hij heeft gezien en gevoeld dat hij verloren is. Verloren? Ja, deze jongen weet heel zeker dat hij niet kan sterven. Hij voelt zijn vele zonden iedere dag heel zwaar op zich drukken. O nee, hij kan voor God niet bestaan. Hij weet dat hij een groot zondaar is. En God is zo heilig! Hij weet het heel zeker: wanneer ik zo zal sterven, dan ga ik verloren. Voor eeuwig verloren. Er moet wel een heel groot wonder gebeuren, wil het ooit goed met mij komen.

Naar dat wonder verlangt hij. Maar hij weet niet hoe dat moet. Hoe kan hij zonder zonden, ja rechtvaardig, voor God verschijnen? Kijk, daarom is deze jongen op deze zondagmorgen wel naar buiten gegaan. Hij wilde toch naar de kerk? Al bleven ze allemaal thuis. Hij gaat naar de kerk! Hij wil luisteren, goed luisteren.

Moeder heeft het hem willen verbieden. Ook zij vond de weersomstandigheden veel te gevaarlijk. Vader die dominee is, preekt deze morgen in een heel andere plaats. Hij preekt in Tollesbury.

Dikwijls gaat deze jongen met zijn vader mee. Maar moeder heeft het deze morgen niet goed gevonden. Moeder vindt dat haar zoon vandaag maar in huis moest blijven. Net als de andere kinderen van het gezin. Maar hij heeft net zolang gebedeld tot moeder hem haar toestemming gaf om toch naar de kerk te gaan.

Vanmorgen heeft hij gebeden. Zoals hij dat altijd doet. Hij heeft zijn zorgen opnieuw aan de Heere verteld. Dat doet hij al zo lang. Al zoveel jaren. Maar nog steeds is er niets bij hem veranderd. Die schuld, zijn zondeschuld, hij voelt die elke dag weer drukken. Nee hoor, hij wil niet thuisblijven. Hij wil naar de kerk. Ook al zou de weg nog zo moeilijk zijn. En zwaar. Ondanks alle bezwaren is hij toch gegaan!

Maar de storm wordt steeds heviger. En de sneeuw blijft maar vallen. Hoe graag hij ook naar de kerk wil, het lukt hem niet meer daar op tijd te zijn. En dan, dan is er maar één ding mogelijk: hij gaat terug.

De jongeman kijkt nog verdrietiger. Nog somberder. Hij kan vanmorgen niet naar de kerk, ook vanmorgen zal hij niet van zijn zondeschuld verlost worden. Al zuchtend slaat hij een zijweg in. Even gaat hij van de grote weg af. Even weg uit die snijdende kou.

O, maar dan ziet hij opeens in deze zijstraat een heel klein kerkje. Daar is hij niet eerder geweest. Hij weet het zeker. Hij twijfelt niet. Daar zal hij heengaan. Daar wil hij luisteren. Hij wil horen wat deze dominee tot hem zal zeggen.

Al snel wordt het hem duidelijk. De dominee die in het kerkje moest preken, was niet gekomen vanwege de sneeuwstorm. Een ander zal deze morgen het Woord van de Heere brengen. Veel mensen zijn er niet naar dit kerkje gekomen. Vijftien mensen gaan deze morgen luisteren naar de preek van een voorganger, die eigenlijk geen dominee is. En de jongeman die zomaar alleen in één van de banken zit, kennen ze niet. Maar God kent hem wel. Ja, hij zit er somber bij. Een beetje gebogen. Zoals altijd, met verdrietige ogen. De voorganger noemt de tekst waar hij over wil spreken. Luister: Wendt u naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde; want Ik ben God en niemand meer.

Het is een tekst uit het Bijbelboek Jesaja. Het is Jesaja 45 vers 22. En terwijl hij de woorden van de Heere spreekt, staat hij ineens even stil. Hij heeft die eenzame jongeman gezien. Hij steekt zijn hand uit en wijst hem aan. ‘Zeg, jij, jongeman, wat kijk je bedroefd. Kijk omhoog jongen. Kijk, daar is Jezus. Zie je Hem jongen? Zie op Hem. Zie je Hem hangen aan het kruis? Daar stierf hij voor de zonden van allen die in Hem geloven. Zie dan jongen. Zie op Hem.’ Ja, hij blijft het steeds maar herhalen. ‘Kijk dan jongeman. Doe het nu. Kijk naar Hem. Kijk naar Jezus. Hij kan je redden. Hij alleen.’

O, dan gebeurt er een groot wonder. Want plotseling staan de ogen van deze jongen niet meer bedroefd. Hij kijkt niet meer somber. Want deze jongen krijgt ogen om te zien. Hij ziet het echt. En hij gelooft. Op dit moment legt hij zijn zware zondepak net als Christen neer aan de voet van het kruis. Ja, hij gelooft: ‘Mijn zonden zijn vergeven. Vergeven door de Heere Jezus.’

De kerk gaat uit. De jongeman verlaat de kerk. Zijn ogen stralen. Hij ziet de sneeuw. Zo wit. Zo mooi. En hij weet het: ‘Zo wit ben ik gewassen. Ik was zwart door mijn zonden. Maar nu, nu ben ik wit. Zo wit als de sneeuw. Ik ben gewassen in het bloed van de Heere Jezus.’

Zo komt hij thuis. Thuis bij zijn moeder, thuis bij zijn broers en zussen. Allen kijken hem aan. Deze zoon, deze broer, ze kennen hem niet meer. Maar hij zingt het uit: ‘Ik zie de Heere Jezus. En Hij heeft mij gered.’