Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Er kan wegens corona ook besteld worden en opgehaald op afspraak

Naar DeRamshoorn.nl

Meer dan ene zegen, R. Hoogerwerf-Holleman (2e druk!)

Meer dan ene zegen, R. Hoogerwerf-Holleman (2e druk!)
Model: 9789076466637
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 9,95
Excl. BTW: EUR 9,95
Aantal:  

 

Gezelschapsleven in Mijnsherenland.

 

Meer dan ene zegen

Door R. Hoogerwerf-Holleman

 

Uit het leven van vrouw Stougie uit Mijnsheerenland.

Van 14,95, nu voor slechts 6,95

In dit boek maakt u niet alleen kennis met het gezelschapsleven rondom vrouw Stougie. Ook wonderlijke leidingen des Heeren zijn in de levens van de beschreven personen op te merken. Geschiedenissen die zich in de Hoekse Waard hebben afgespeeld en veelal mondeling doorverteld, zijn door dit boek
aan de vergetelheid ontrukt. Om er een aantrekkelijk verhaal van te maken heeft de auteur gefingeerde namen en gebeurtenissen aan toegevoegd.

Auteur(s):R. Hoogerwerf - Holleman

 

Woord vooraf

Wouterina Stougie van der Linden werd op 15 november 1841 geboren te Oud-Beijerland. Ze overleed te Mijnsheerenland op 16 December 1932, namiddags om twee uur in de ouderdom van 91 jaar als dochter van Bastiaan van der Linden en Teuna Kooijman. Dit boek gaat over haar leven en sterven. In de volksmond werd ze ‘vrouw Stougie’.

 

Maar in haar naaste omgeving was het altijd ‘Meutje Wouttrien’.

Nu doet de bijzonderheid zich voor dat ik een familielid van haar ben. Meutje was de oudtante van mijn overleden vader. Maar ik heb de eer naar haar vernoemd te zijn. Ik kan me nog herinneren dat mijn vader zijn rechterhand op mijn hoofd legde en sprak: ‘Wouttrien, Wouttrien, je heet naar een godzalige vrouw. Mocht jij ook nog eens zo gelukkig worden als zij.’ Dat ben ik nooit vergeten. Evenmin als de vele verhalen die hij over haar vertelde. En ook die geschiedenissen die zich in Beijerland hebben afgespeeld.

 

Dat deed bij mij op latere leeftijd de wens rijzen om een boekje over haar te publiceren. Nadere gegevens ontbraken mij lange tijd. Dat deed mij aarzelen om er aan te beginnen. Totdat ik het boek van den heer B. Hooghwerf uit Klaaswaal onder ogen kreeg. ‘Uw hoop uw kudde woonde daar’. Daar vond ik wat ik zocht. Een foto en gebeurtenissen uit Meutje Wouttriens leven. Afkomstig uit een betrouwbare bron. Wij bedanken deze schrijver voor het te mogen gebruik maken van die gegevens.

Samen met de verhalen die mijn vader aan mij heeft doorverteld heb ik geprobeerd het tot een leesbaar en ordelijk verhaal te maken. Het levensverhaal van vrouw Stougie van Mijnsheerenland loopt als een gouden draad door deze geschiedenis heen. Niet alle namen en plaatsen in het verhaal zijn echt. Het betreft de namen van nevenfiguren uit dit boek die ik niet meer kon achterhalen zijn. Deze heb ik gefingeerd.

Ik hoop dat het boek mag dienen tot Gods eer en tot zegen van de naaste. Want de gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn.

 

R. Hoogerwerf-Holleman                Driebergen, 5 Januari 2007

 

2 Koningen 2:9

‘Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn’.

 

1. Een arme tijd

 

Het is het jaar 1914 en de boeren in de Hoeksche Waard wachten met smart op het betere weer. Het is al april en nog blijft het koud. De winter is niet streng geweest, maar de nachtvorsten houden langer aan dan in andere jaren. Het zaad moet de grond in, willen ze tijdig kunnen oogsten.

Maar eerst zal de eg en ploegschaar door de aarde moeten gaan. Maar zolang de hal nog niet helemaal uit de grond is, moeten zij wachten. Wachten op beter weer en dan kunnen ze aan de slag. Het is een arme tijd de jaren van het begin van deze eeuw.

De meeste boeren kunnen met veel moeite hun bedrijf draaiende houden. Alleen de rijke boeren met hun grote hofsteden hebben de wind in de zeilen. En de gewone arbeiders, in de Hoeksche Waard lijden veelal armoe en gebrek. Voor een zeer karig loon moet de gewone man de zware dagtaak verrichten. Van ‘s morgens zes tot ‘s avonds zes uur ploeteren ze in de Beiersche grond. En als zij ziek worden, staan de verdiensten stil. Een uitkering van overheidswege is nog niet van kracht.

Moeder de vrouw heeft het niet gemakkelijk. Zeker in het grote gezin zijn de zorgen om voedsel en kleding groot. Zij laat de boodschappen, die ze nodig heeft maar opschrijven bij de winkelier. Als aan het eind van de werkweek haar man zijn weekloon afgeeft, zal ze de rekening wel betalen.

Sommigen maken schulden, die ze met stukjes en beetjes proberen terug te betalen. En de kleine handelaartjes vinden het best zo. Als de klanten elke week maar wat betalen. Ze denken: wie schrijft, die blijft. Degenen die bij hem in het krijt staan, komen vanzelf in de winkel terug. En hun klantjes raken ze niet graag kwijt, want zij moeten per slot van rekening van hun inkomsten leven. Ook de winkeliertjes moeten immers alle zeilen bijzetten om het hoofd boven water te houden. Anders gaan zij failliet.

In deze tijd arme tijd dus vlak voor de Eerste Wereldoorlog die als een grote wereldbrand tussen de volken in Europa zal uitbarsten, speelt de geschiedenis van Meutje Wouttrien en haar tijdgenoten.

 

2. Tweeërlei zaad

Dominee Van Leenen staat voor het raam van de pastorie. Zijn ogen staren in de verte. Zijn blik valt op het golvende water van de vliet. Op sommige plaatsen waar het oeverriet dicht opeengepakt is, liggen nog stukken ijs. De zon heeft daar in de schaduwkant de ijskorst nog niet ten volle doen smelten.

De man daar achter het glas peinst en vergelijkt de natuur met zijn gemeente. Het arbeidsveld dat God hem heeft toegewezen. Beierland is hem lief geworden in de jaren dat hij hier staat. Vijf jaren lang mag hij hier de ploegschaar hanteren. Het goede zaad strooien. De grote Landman zelf heeft hem daartoe geroepen, weet de nog jonge predikant.

Hij zucht en strijkt eens langs zijn voorhoofd. Het is Paulus die plant en Apollos die nat maakt. God Zelf moet de wasdom geven. Een diepe denkrimpel doorgrieft zijn hoge blanke voorhoofd. Eerlijk gezegd is hij niet erg tevreden. Toen hij hier begon in de Beierlandse dreven was hij vol enthousiasme. Hij, een knecht van de grote hemelse Landman, mocht dit arbeidsveld van Hem ontvangen. En met argusogen had hij gespeurd naar vruchten op zijn arbeid. Zou God zijn werk hier ter plaatse willen zegenen?

 

Als hij op huisbezoek ging luisterde hij naar de verhalen, die de gemeenteleden opdisten. Helaas, het bleek zo geheel anders te zijn als dat hij had verwacht. Het scheen wel alsof zijn hoorders alles vergeten waren wat hij die zondag ervoor hen had voorgehouden. En als hij tenslotte er zelf maar over begon, keken ze hem met nietszeggende ogen aan. Waar ging het ook al weer over? De tekst van zondagmorgen wat was de tekst ook al weer?

Dat was voor de dominee erg moedbenemend. Ach gebeurde er wel ooit nog wel iets op geestelijk gebied? Dat verdroot hem meer dan iemand kon vermoeden. Biddend had hij het zaad van Gods Woord gestrooid op de akker van de Beierlandse kerk. En dan geen vruchten? Toch mocht hij nieuwe moed krijgen. Hoe spreekt Gods eigen Woord daarover? Het zaad moet toch eerst sterven en daarna ontkiemen? Indien het zaad niet eerst sterft, kan het geen vruchten voortbrengen. Nee, hij moest zo haastig en ongeduldig niet zijn!

Naarmate hij langer in Beierland arbeidde, werd hij meer en meer doordrongen van de ligging van de gemeente. Waarom omzeilden velen in zijn gemeente de persoonlijke vragen naar hun zieleheil? Het werd hem duidelijk. Want elke keer klonk het hem toe: ‘God moet het doen, dominee!’ Ja. ja, dat wist hij ook wel. Hij zou het niet graag anders verkondigen. Het is een eenzijdig Godswerk. Maar hoe gemakkelijk liet men de Heiland roepen. Bekeert u, bekeert u o huis Israëls, want waarom zoudt gij sterven en verloren gaan?

 

De Beierlandse herder wil het alles nu nog eens even secuur op een rijtje zetten. Het lukt hem niet al te best. Niet zonder zichzelf er bij te betrekken. Ligt het misschien ook aan hemzelf? Was zijn overredingskracht wel van dien aard dat het de hoorders onberoerd liet?

Dominee van Leenen zucht en staart nog steeds naar buiten toe. Aan de overkant staat de oude kerk met zijn spitse kerktoren. De gouden weerhaan staat daar stil en glanst in de zon. Het is windstil buiten. Goed zaaiweertje. Al is hij dominee, toch is hij zijn boerenafkomst nog niet vergeten. Hij is grootgebracht op een boerderij in Drenthe. Hij weet genoeg van de landbouw af om te weten, wanneer het beste kan worden gezaaid. Tweeërlei zaad, piekert hij weer voort. Toch... het boze zaad in de vette aarde van de Hoeksche Waard schiet hier ter plaatse goed wortel. Maar het zaad van Gods Woord? Nee, hier in Beierland is het een onvruchtbare grond op de kerkenakker, besluit hij zijn gedachtegang.

Eerlijk gezegd kan hij somtijds stilletjes verlangen naar een ander arbeidsveld. Een stad of dorp waar de vruchten worden gezien van geloof en bekering waardig. En toen hij vorig jaar een beroep kreeg had hij het er moeilijk mee gehad. Maar hij had uiteindelijk toch bedankt. Zolang hij niet zeker wist dat hij weg mocht, zou hij blijven.

 

Hij keert zich bruusk om en neemt dan plaats achter zijn bureau. Dan opeens dwalen zijn gedachten ergens anders heen. Hij denkt aan zijn vriend, dominee Van Velzen. Die had hem laatst iets heel moois verteld. In Duitsland in Nedersaksen werden vroeger eens veel mensen bekeerd. Men sprak zelfs van een opwekking. Aha... kwam er hier ook maar eens zoiets... geweldigs! Zomaar onverwacht was het gekomen daar in het buurland. Het moet net zoiets zijn geweest als vroeger eens in Amerika gebeurde ten tijde van Jonathan Edward. En in Engeland en Schotland was het eveneens gebeurd. En toen was het overgekomen naar Nederland. Al mijmerend ziet hij het beeld oprijzen voor zijn starende blik.

Hoe in het Veluwse stadje Nijkerk, Putten en Woudenberg de Geest des Heeren werkte. Er werden daar velen toegebracht tot de gemeente die eenmaal zalig worden zal. Een heel bijzondere tijd was het geweest. Bij tientallen tegelijk werden zondaren in het hart geraakt. Jonge en oude mensen kwamen tot het doen van de goede keus. Soms werden er krachtdadig omgezet. Riepen in verslagenheid uit: ‘Wat moeten wij doen om zalig te worden?’ Een glimlach overtrekt zijn in rimpels vertrokken gezicht.. De sombere trek is opeens verdwenen. Weliswaar ging het er toen destijds wel eens al te luidruchtig naar toe, dat wist hij ook wel.

Zomaar midden onder de prediking riep er een meisje of jongen hardop uit: ‘Ik ben verloren, voor eeuwig verloren! Genade, genade o God genade.’ Het gebeurde dat iemand zomaar in het kerkpad tussen de banken neerviel op de knieën, smekende en biddende om genade en geen recht. Dat gaf natuurlijk wel veel opzien onder de kerkmensen. Maar al meer en meer werden er zo getroffen.

Weer anderen kwamen tot ruimte. Hun zielen werden gered. Dan huppelden zij van zielenvreugde tussen de paden van de kerkbanken door. Zomaar ten aanzien van het toeziende kerkvolk. Dat verwekte anderen tot jaloersheid en ook zij gingen bidden om het goed dat nimmermeer vergaat. Dit kwam veelvuldig voor en tot in de verre omtrek sprak men van de bijzondere bekeringen onder het Veluwse volk.

De kerkgang vermeerderde daardoor ook. Dat was een andere tijd, denkt dominee Van Leenen hardop. Hier in Beierland loopt de kerkgang juist wat terug. De kroegen zitten zondags vol jongelui. Dat zou ook anders worden, als Gods Geest hier ook in de Hoeksche waard blies in de dorre doodsbeenderen. Als God de Heilige Geest Zijn hof eens kwam doorwaaien.

Er gaat een schietgebed naar boven, naar de hemel, van de lippen van de zielenherder. ‘O, kom gij Noordenwind en gij Zuidenwind, doorwaai Mijne hof. Dat gij eten mocht van uw edele vruchten. Opdat de kerkenakker vrucht voortbrengen en zaad geven de zaaier en brood de eter.’

Zijn ziel herleeft nu toch weer wat op als hij dit heeft overdenkt. Even was hij zover weg in zijn gedachten dat hij de werkelijkheid vergeet. Ja, de Heere heeft toch meer dan ene zegen. Niet alleen in Engeland en Duitsland hoor! De Heere kan ook hier werken en wonen. Ook hier in Beierlands dreven. Een bekend lied speelt op zijn lippen. Een psalmvers wat ze zondag nog in de avonddienst hebben gezongen.

 

                Die hier bedrukt met tranen zaait

                Zal juichen als hij vruchten maait

                Die ‘t zaad draagt dat men zaaien zal

                Gaat wenend voort en zaait het al:

                Maar hij zal, zonder ramp te schromen,

                Eerlang met blijdschap wederkomen

                En met gejuich ter goeder uur,

                Zijn schoven dragen in de schuur