H. 29. Hugenoten in de knel. P. de Zeeuw JGzn

H. 29. Hugenoten in de knel. P. de Zeeuw JGzn
Model: 9789461151148
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  

De hugenoten in de knel

P. de Zeeuw JGzn, M.J. Ruissen (eindredactie)

gepland DV aug. 2018

Charles Dupré kan het niet verdragen dat André Aubin molenaar is in het Franse dorp Vassy. Door hem te verraden, omdat hij een hugenoot is, hoopt hij de nieuwe eigenaar van de molen te worden. Maar door tegenwerking van de pater mislukt dat.

Zijn zoon, Jean Aubin, wordt schaapherder te Montcontour. Als Gaspard de Coligny in hem een dapper man ontdekt, stelt hij hem als zijn wapendrager aan. In de strijd houdt De Coligny zich lang staande tegen de Spanjaarden. Maar wanneer hij ten slotte het onderspit moet delven, sluiten ze hem op in de Steen in SluisVanaf dat moment is hij de trouwe aanvoerder van de hugenoten. Na enkele veldslagen verloren te hebben, slaagt hij er in om met een overmacht op te rukken naar Parijs. De vrede van St. Germain wordt gesloten en er komt vrijheid van godsdienst. Eenmaal in Parijs wordt hij tijdens de Bartholomeüsnacht koelbloedig vermoord. Gelukkig slagen Jean en zijn zoon André erin uit het gevaarlijke Parijs te ontsnappen en veilig naar hun ouderlijke woning te Montcontour terug te keren.

Dit boek geeft een goed beeld van het leven van Gaspard de Coligny en is een aanrader voor jong en oud. Het laat ons zien welk voorrecht we genieten als we nog in alle rust naar de kerk kunnen gaan. Maar ook wat er nodig is wanneer er vervolging zou losbarsten.

 

 

  1. Louis Dupré is een laffe jongen

Ineens loopt daar die lummel van een Louis Dupré naast Yvonne. Het meisje schrikt ervan als ze hem naast zich ziet. Ze gaat vanzelf wat vlugger lopen. Maar dat helpt haar weinig, want Louis weet haar met zijn lange benen wel bij te houden.

‘Zo, zo, ben jij aan de wandel?’ vraagt hij. En zonder antwoord af te wachten gaat hij verder: ‘En nog wel met een mandje met eieren. Die ga je zeker bij meneer pastoor brengen, is het niet?’

‘Nee!’ snauwt Yvonne.

‘Zo, zijn ze niet voor pastoor Vasmel? Dat is jammer voor de goede man. Maar zeg eens, Yvonne, voor wie zijn ze dan wel?’

‘Daar heb jij niets mee te maken!’ klinkt het kortaf.

‘Nou, nou, Yvonne, zo hoef je nu niet tegen me te doen, hoor, je kunt best wat vriendelijker zijn. We zijn bijna buren en buren moeten niet zo onaardig tegen elkaar zijn. Ik heb je toch niets misdaan?’

Yvonne zegt niets. Wanhopig kijkt ze de weg af of ze niet ergens iemand ziet lopen die haar van deze kwelgeest kan verlossen.

 

Ze lopen hier samen op de eenzame landweg die van de boerderij van haar vader, Corneille Labrune, naar het dorpje Vassy loopt. Links en rechts heeft de weg een strook van kreupelhout en daardoor lijkt hij nog eenzamer dan hij al is.

Dat nu net die akelige Louis hier lopen moest. Ze kent de knul heel goed. Hij is een jaar of drie ouder dan Yvonne, die pas dertien is, en hij staat in Vassy bekend als een valse jongen. Oude mensen en kinderen zijn altijd het mik­punt van zijn plagerijen.

Jammer toch, ze is zo vrolijk van huis gegaan en nu loopt ineens die vervelende vent naast haar.

‘Je bent niet erg gezellig, Yvonne,’ begint Louis weer. ‘Je zegt geen enkel woord. Vertel me eens wat van de boerderij. Hoeveel schapen heeft je vader tegenwoor­dig?’

‘Vraag dat vader zelf maar!’

‘Ja, dat kan ik weleens doen, maar ik kom zo zelden die kant uit. Zal ik soms het mandje voor je dragen? Het lijkt me vrij zwaar en je bent nog zo jong.’

‘Niet nodig, Louis, ik kan het heel gemakkelijk zelf dragen en…’ komt het er aarzelend uit, ‘als je me een plezier wilt doen, loop dan door. Ik kan de weg best alleen vinden!’

‘Maar ik zou je toch lekker danken. Doorlopen, zeg je, terwijl er zo’n aardig meisje naast me loopt? Nee, nee, Yvonne, zo dwaas is Louis Dupré niet. Ik wil je beschermen op deze eenzame weg, begrijp je?’ laat hij er lachend op volgen.

‘Leuk van je, Louis, maar het is echt niet nodig. Ik zal best zonder jou het dorp bereiken.’

‘Zeg dat maar niet te hard, Yvonne, er zijn tegenwoor­dig allerlei slechte mensen onderweg en er komen ook hoe lan­ger hoe meer hugenoten. Dat is een gevaarlijk volkje, hoor. Maar je weet zeker niet eens wat hugenoten zijn?’

‘Zeker weet ik dat en ik weet ook dat ze helemaal niet gevaarlijk zijn!’

‘Zo, zo, meisje, ga jij het voor de hugenoten opne­men? Nou, dat is knap gevaarlijk, weet je dat wel? Als pastoor Vasmel het hoort, zal hij een allesbehalve vriendelijk gezicht zetten!’

‘De pastoor moet zelf weten welk gezicht hij zetten wil, daar heb ik toch niets mee te maken?’

‘Meer dan je denkt, Yvonne. Als meneer pastoor weet dat iemand iets met die gehate hugenoten te ma­ken heeft, kan hij er werk van maken en dat kan heel nare gevolgen hebben.’

‘Dat kan best zijn, maar daarover maak ik me niet bezorgd. De pastoor heeft niets op me aan te mer­ken!’

‘Maar je verdedigt de hugenoten!’

‘Och kom, kerel, zanik toch niet zo. Ik verdedig de hugenoten helemaal niet. Ik zeg alleen dat ze geen mens kwaad doen en dat ze niemand zullen opeten, en dat is ook zo!’

‘Nou, maar als je zó praat, ben jij ze toch al aar­dig aan het verdedigen. Ik zal jou in de gaten houden, klein ding. Wie weet, misschien behoor jij heimelijk al tot de hugenoten. Als ik daar iets van merk …’

‘Maak je niet ongerust, Louis, maar áls het nu eens zo was, wat zou jij dan nog ...?’

‘Je onmiddellijk aangeven bij pastoor Vasmel. Dat hoort zo, dat moet. Niemand mag onze kerk ontrouw worden!’

‘En als jij dat deed, zou iedereen in Vassy zeggen: “Die Louis Dupré is een laffe jongen.” Dat geloof je toch zeker wel?’

‘Best mogelijk, maar denk je dat me dat wat kan schelen? Het is mij erom te doen bij meneer pastoor in een goed blaadje te staan. Daar kan een mens nooit schade van hebben!’

‘Ik praat niet meer met je,’ zegt Yvonne nu. ‘Ik vind je een erg laffe jongen, Louis, nu weet je hoe ik over je denk!’

‘Erg vriendelijk van je, maar zeg eens, juffertje, wat zie ik daar?’

‘Dat weet ik niet!’

‘Hou je maar niet zo onnozel, want je begrijpt best wat ik bedoel!’ En dit zeggend, wijst hij naar de borst van het meisje.

‘Wat zie ik daar?’ herhaalt hij zijn vraag. ‘Dat is toch zeker het vaste bewijs dat mijn vermoeden juist is en dat jij heimelijk een kleine hugenote bent?’

‘Ik begrijp niets van je praatjes, Louis,’ zegt Yvonne, ‘laat me nu alsjeblieft doorlopen. Welke fatsoenlijke jongen gaat er nu midden op de weg vlak voor een meisje staan?’

‘Dat doe ik, als ik denk dat dat meisje een ketterse is!’ en meteen steekt hij zijn hand uit naar de borst van Yvonne.

‘Blijf van me af, Louis, of ik begin hard te gillen, hoor!’ zegt ze.

‘Je mag, wat mij betreft, schreeuwen als een mager varken, maar hebben zal ik het, om het aan pastoor Vasmel te laten zien!’

Meteen doet hij een greep naar Yvonnes borst en nu heeft hij het kettinkje beet, dat om haar hals hangt.

‘Laat me los, flauwe vent!’ gilt Yvonne en ze rukt zo hard ze kan achteruit. Maar dat wordt haar ongeluk, want het kettinkje schiet los. Louis houdt het in zijn hand en tegelijk stoot Yvonne tegen een steen, die ach­ter haar ligt.

Ze struikelt, maar weet haar evenwicht nog te bewa­ren. Het mandje met eieren valt echter op de grond. ‘Lelijkerd!’ gilt ze, ‘nu zijn al mijn eieren kapot en dat is jouw schuld!’

‘En ik heb het kettinkje. Kijk, Yvonne, en zeg me nu eens: Waar is het kruisje gebleven, dat daar vroeger aan hing? Zie je wel dat ik gelijk heb dat jij bij de hugenoten hoort? Ik zal dat kettinkje maar eens bij meneer pastoor gaan brengen en dan zal jij er wel meer van horen.’

Yvonne zegt niets. Ze zit gehurkt op de grond en raapt de eieren weer in de mand. Verschillende zijn gekneusd en enkele zijn aan pap, die kan ze laten lig­gen.

‘Zeg, hoor je me niet?’ begint Louis weer, terwijl hij het kettinkje naar haar toesteekt. ‘Hoor je me niet? Hier heb ik nu het duidelijke bewijs, meisje. Dat ga ik gauw bij pastoor Vasmel brengen.’

Op dit ogenblik horen beiden gekraak in het kreu­pelhout aan de zijkant van de weg.

Takken breken en bladeren ritselen en voor Louis en Yvonne weten wat er aan de hand is, breekt er een jongen door de struiken heen, die woedend op Louis afstormt.

‘Dat zul je niet, lafbek!’ schreeuwt de jongen en met­een heeft hij Louis het kettinkje uit de hand gerukt.

Louis is het eerste ogenblik te beteuterd om iets te doen of te zeggen. Maar algauw krijgt hij zijn spraakvermogen terug.

‘Wel, wel, daar hebben we dat driftige ventje van molenaar Aubin. Nou, Yvonne, nu krijg je hulp, hoor, nu hoef je niet bang meer te zijn!’

‘Hier, Yvonne,’ zegt Jean, de jongen die zo plotseling op het toneel is verschenen, ‘hier heb je het kettinkje terug.’

Het meisje doet het vlug om haar hals en Jean helpt haar de laatste eieren in de mand te leggen.