Dl. 47. Herinneringen, W. Schippers

Dl. 47. Herinneringen, W. Schippers
Model: 9789461150721
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 13,95
Excl. BTW: EUR 13,95
Aantal:  

Dl. 47. Herinneringen

Geleid langs goede paden

W. Schippers

 

Laatste Schippersdeel. Alle 47 delen zijn leverbaar, van sommige delen is de voorraad beperkt.

 

Schippers verhaalt in dit boek bijzondere gebeurtenissen uit zijn leven die een diepe indruk op hem maakten. Onder andere het verlies van zijn broer Jakob, die door het ijs zakte toen hij zijn vader hielp met het bezorgen van de post en verdronk in het zwarte water van de Devel.

In Maasdam kwam Schippers bij een dorpssmid terecht, waar twee broers hem opleidden. Bange avonturen beleefde hij bij het terugbrengen van paarden die beslagen waren. Het brillen van de varkens was een moeilijk en vies karweitje.

Op aanraden van zijn vader komt hij in ‘Steenenkamer’ terecht. Daar wordt hij metaaldraaier van beroep. Van Joost, een machinist die met zijn schip in het haventje bij de fabriek ligt, leert hij stropen.

Meer dan halve eeuw later ontmoet hij Joost opnieuw. Dan vertelt hij aan zijn oude vriend de levensgeschiedenis van De Grave die ook op de fabriek werkte en hem in vertrouwen had genomen. Diens huwelijk met het Amsterdamse kamermeisje bracht hem aan lager wal. Hij offerde immers voor haar zijn hoge functie bij de marine op en verviel tot armoede.

Schippers herinnert zich de bange meidagen van 1940 nog goed toen er hevig met de Duitsers in Dordrecht gevochten werd om het bezit van de stad. Dat zijn zoon als dwangarbeider in Duitsland te werk werd gesteld, liet een diepe indruk bij hem na.

Tot in zijn hoge ouderdom geniet hij nog dagelijks met zijn hond van een wandeling in de vrije natuur en is hij verwonderd dat God hem voerde langs goede paden.

 

CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG

 

W. Schippers

 

ISBN 9789461150721

 

Illustraties:

Omslag- en binnenwerkillustraties: Rino Visser, Goes

 

 

© 2016    Uitgeverij De Ramshoorn

Putwei 6 - 4464 BT Goes - tel. 0113-230340

fax. 0113-218691 - [email protected] - www.ramshoorn.nl

 

 

 

Voorwoord

 

Het is weer al bijna anderhalf jaar geleden dat mijn vader bij het aanbreken van een zonnige junidag zacht en rustig stierf.

Hij bereikte de leeftijd van 87 jaar en had tot op het laatst van zijn leven nog de volle beschikking over zijn geestelijke en lichamelijke vermogens.

Op het moment dat ik deze regels aan de tafel schrijf, waaraan ook hij gewoon was te zitten, kan ik mij nog niet voorstel­len dat zijn plaats voor altijd leeg zal blijven.

Als ik mijn ogen sluit, zie ik weer de rook uit zijn pijp dwar­relen. Zijn hand strijkt over de kop van de grote herdershond, zijn trouwe metgezel op zijn dagelijkse morgenwandeling, en ik hoor weer zijn stem die vertelt over zijn jeugd.

Hoe hij zijn vrolijke jongensjaren doorbracht in de gelukkige, ouderlijke woning in de Grote Lindt, waar hij geboren werd.

Ik hoor hem weer vertellen over zijn leerjaren, in de oude smederij te Maasdam. Hij vertelt zo beeldend dat ik de wind hoor loeien om de hoefstal en de vonken zie spatten uit het opgejaagde smidsvuur.

Het verhaal gaat verder. Hij kwam op een kleine machine­fabriek te Zwijndrecht en werd metaaldraaier van beroep. Ik leef mee met zijn vrienden, die vertrokken naar het leger of de vloot.

Hij grijpt in een lade en uit een oude portefeuille komen vergeelde brieven, geschreven onder een gloeiende tropenzon of in het logies[1] van een oorlogsschip.

De herinneringen rijgen zich aaneen en ik zie hem op een koude wintermorgen vertrekken naar een machinefabriek in Dor­drecht, waar hij meer dan 40 jaar met lust en liefde zou wer­ken. Daar en overal en elders vindt hij de typen, die gestalte hebben gekregen in zijn tientallen verhalen.

Vader was een eenvoudig man, maar zijn lange leven is rijk geweest. Hij was gelukkig in zijn familiekring. Zijn hand was vaardig, zijn verstand scherp en zijn fantasie rijk.

De meer dan 40 boeken die hij heeft geschreven, werden geboren in de avonduren, na een lange en vaak inspannende dagtaak. Maar hij deed het met liefde.

Zijn plaats aan de haard blijft leeg, maar in de harten van zijn kinderen en van hen die hem van dichtbij gekend hebben, leeft hij voort als een mens die gewoekerd heeft met de talenten die zijn Schepper hem gaf.

 

Dordrecht, 30 december 1955                                  H. Schippers

 

1.   Verlies van broer Jakob

 

’t Is een eigenaardig feit, maar als de ouderdom gekomen is en het leven achter ons ligt, kan men zich vaak dingen en voorvallen die plaatsvonden in onze vroegste jeugd, helderder voor ogen stellen dan die van slechts enkele jaren terug.

Nu ligt het in mijn voornemen om ook de dingen van later tijd zo duidelijk mogelijk voor de geest te roepen, voor zover ze vastliggen in mijn geheugen.

Och, laat ik maar dadelijk zeggen dat mijn leven gelukkig niet gekenmerkt werd door veel schokkende gebeurte­nissen. Als ik erop terugzie, dan kan ik God slechts dankbaar zijn dat Hij mijn weg voerde langs voor mij goede paden.

In de tijd waarover ik nu begin te spreken (of liever te schrijven) bestond ons huisgezin uit zeven personen, namelijk mijn beide ouders, twee zussen en drie broers, van wie ik de jongste was.

Een kind is altijd gewend hoog op te kijken tegen een grote broer en ik weet nog heel goed dat dit ook bij mij het geval was, want in leeftijd verschilde ik zestien jaar met mijn oudste broer.

Hij was timmerman. Toen ik een kleine schooljongen van een jaar of zes, zeven was, werkte hij in Heerjansdam, een dorp dat op ongeveer anderhalf uur loopafstand van ons dorpje verwijderd ligt.

Als hij ’s maandagsmorgens vroeg vertrok, zag ik hem niet, omdat ik dan nog in bed lag. Maar ’s zaterdags­middags wist ik precies hoe laat hij naar huis ging en ik liep hem dan zo ver mogelijk tegemoet.

Nog kan ik het mij voorstellen hoe hij met vlugge passen op de stille weg langs de rivier kwam aanstappen en mij lachend oppakte en op zijn brede schouder zette.

 

Wat ik hier even aanstipte, ligt mij bij als een vaag beeld uit verre zonnige zomerdagen, maar die winterdag van de tiende januari 1875 staat mij veel en veel duidelijker voor de geest.

Mijn vader was destijds brievengaarder[2] in ons dorpje. Een vertrek van ons huis was ingericht als hulpkantoor van de poste­rijen.

Hieraan was echter verbonden het halen van de brieven en ver­dere poststukken op het hoofdkantoor en de bezorging daarvan in de tamelijk wijde omtrek.

’t Was in de winter vaak een zware mars als de sneeuw hoog op de destijds bijna ongebaande[3] landwegen of voetpaden lag, waarlangs men de boerenhoeven en gehuchten bereiken moest, maar mijn vader was een krachtig man en een goede voetganger.

Zijn gewone dagelijkse route ging langs de rivierdijk tot aan de grens van het dorp, maar dan moest hij een smal voetpad volgen door de weilanden naar een watermolen, waar meestal de dochter van de molenaar voetgangers in een bootje over de Devel bracht.

’t Was in die tijd zulk een eigenaardig watertje, die Devel, zoals het zich kronkelde tussen weilanden en akkers, met hoog riet aan de oevers, vaak moerassig en met griendgewas langs de kanten.

Als men dat water overgestoken was, kwam men weer op een voetpad, waarna men op een rijweg kwam die meestal slecht begaanbaar was. Deze weg verbond twee gehuchten waar toch altijd post moest worden bezorgd.

Nu was in die bewuste winter van 1875 mijn oudste broer enige dagen thuis, want door de strenge vorst lag de arbeid tot nader order stil.

Er werd druk geschaatst op de Devel en vooral ’s mid­dags kon het er levendig aan toegaan.

Op de morgen van de tiende januari leek het voor schaatsenrijden echter minder geschikt, want hoewel het hard vroor, lag er een tamelijk dichte nevel over het koude, doodse landschap.

Al een paar dagen had mijn broer voor mijn vader de post bezorgd en dit ging nu betrekkelijk gemakkelijk, want het groot­ste gedeelte van de weg kon hij per schaats afleggen. Later heb ik thuis vaak gehoord dat vooral mijn moeder het hem nog sterk had afgeraden om met zo’n dichte nevel het ijs op te gaan.

Ach, lachend had hij gezegd: ‘Die mist trekt straks wel op en ’t ijs is beslist sterk genoeg.’

Zo is hij weggegaan met zijn brieventas over de schouder in de volle kracht van zijn vierentwintig jaren en met de schaatsen in de hand.

‘De mist trekt straks wel op’, had hij gezegd, maar de mist trok niet op en werd steeds dichter en dikker, zodat men geen vijf stappen voor zich uit kon zien.