Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Er kan wegens corona ook besteld worden en opgehaald op afspraak

Naar DeRamshoorn.nl

Dl. 37. De Korenbloem, W. Schippers

Dl. 37. De Korenbloem, W. Schippers
Model: 9789461150554
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  
Dl. 37. De Korenbloem, W. Schippers Dl. 37. De Korenbloem, W. Schippers Dl. 37. De Korenbloem, W. Schippers Dl. 37. De Korenbloem, W. Schippers Dl. 37. De Korenbloem, W. Schippers

De korenbloem, W. Schippers

Vadertrots en onvrede

 

Bartel Gerold, de trotse molenaar op de korenmolen ‘De Korenbloem’, moet zijn zoon Bastiaan en zijn vrouw verliezen. Teleurgesteld en verbitterd over dit gemis blijft hij achter met zijn beide knappe dochters, Pieternel en Anne Marie.

Ondanks zijn trouwe knecht, Gerrit Lamer, kan hij het werk op de molen niet alleen aan. Op aanraden van Dolf Ringman, de zoon van een schipper, neemt Bartel Nard van Hillege in dienst.

Deze molenaarszoon staat alleen op de wereld en zocht ander werk, omdat hij op ‘De Windvang’ overbodig geworden was. Bartel heeft er echter grote moeite mee dat hij iemand de plaats van Bastiaan moet laten innemen. Het ergert Bartel bovendien dat zijn dochters veel te amicaal met Nard van Hillege omgaan.

Wanneer hij ontdekt dat Pieternel in het geheim omgang heeft met Dolf Ringman verbiedt hij dat. Zijn trouwe knecht Nard stuurt hij weg, wanneer blijkt dat Anne Marie nauw contact met hem onderhoudt. Het lukt de trotse molenaar echter niet zijn knappe dochters aan rijke jongens van zijn stand uit te huwelijken. Zij blijven ongetrouwd, maar nemen met genoegen later een zoon van Nard als eerste molenaarsknecht in dienst op ‘De Korenbloem’. Zo blijkt dat ze hun oude liefde niet vergeten zijn.

We bestellen:

 ... ex. Abonnement Schippersserie, 9,95 per deel, We willen alle delen nog, behalve deel ...........................

(bestelstrook mailen naar [email protected])

 

  1. Waarom? Waarom?

 

Daar, waar de stad eindigt en de landweg naar het dorp H. begint, stond vóór de aanleg van het spoorwegnet in de streek, een oude, maar zeer goed onderhouden korenmolen.

Boven de grote, dubbele deur aan de voorkant is een hardstenen plaat aangebracht en daarin staan, met bijna verweerde, maar nog duidelijk leesbare letters het jaartal ‘1576’ en de naam ‘De Koren­bloem’ gebeiteld.

In letterlijke en figuurlijke zin zijn er in de loop van de eeuwen heel wat stormen over de met riet gedekte kap van ‘De Korenbloem’ heen gegaan. Maar toen hij later viel onder de mokerslagen van de slopers, sloegen de werklieden hun stalen breekijzers krom en stuk op de nog ijzerharde specie van het metselwerk.

Nu echter, bij het begin van dit verhaal, is dat tijdstip nog ver genoeg verwijderd, want slechts enkele jaren zijn verstreken sinds de laatste soldaten van keizer Napoleon hier uit de omtrek zijn verdwenen en de huidige molenaar hoeft niet bang meer te zijn, dat zijn voorraad graan in beslag zal worden ge­nomen door vreemde troepen.

De molen is met de voorkant naar het dorp gekeerd en een kort, maar breed pad, begrensd door oude wilgen, voert vanaf de landweg naar het ruime molenerf.

Aan de rechterkant, vrij van de molen, staat het woonhuis en daarachter is een betrekkelijk grote schuur eraan vast gebouwd. Die schuur doet in de winter ook dienst als stalling voor een paar koeien en de twee grote, sterke paarden die gebruikt worden in het bedrijf.

Aan die kant loopt een brede, heldere beek langs het molenerf. Daarover ligt een sterke, houten brug met stevige leuningen. Deze brug verleent toegang tot een mooi weideveld dat aan de molenaar toebehoort. In dat weiland hebben op deze mooie zondag­namiddag zowel de beide runderen als de twee zware paarden de schaduw van de breed vertakte kastanjeboom opgezocht, die vlak bij de beek zijn bladerdak nog uitspreidt tot op de brug.

Een goed onderhouden doornheg omringt het hele molenerf tot aan het rijpad, waar het slechts ruimte overlaat voor het aan stevige eikenhouten palen bevestigde dubbele hek. Dit hek staat op doordeweekse dagen altijd helemaal open, zodat zelfs de breedste en zwaarst­ beladen wagens ongehinderd het erf kunnen oprijden. Maar nu is het met de ijzeren klink gesloten.

Het woonhuis is betrekkelijk klein en van dezelfde grauwe, harde steen opgetrokken als de molen, maar de heldergroen geschilderde deur en vensterluiken en bovenal het smalle voortuintje met zijn nu zo prachtig bloeiende dahliastruiken, geven het een bij uitstek vriendelijke en aantrekkelijke uitstraling.

 

Op dit tijdstip wordt ‘De Korenbloem’ slechts door een betrekkelijk klein gezin bewoond, namelijk door Bartel Gerold, de molenaar, en zijn beide dochters Pieternel en Anne Marie.

Ruim twee jaar geleden telde dat gezin nog twee personen meer, maar die liggen op het kerkhof daarginds in het dorp, waar de spitse toren nog even met zijn vergulde weerhaan boven de machtige kruinen van de oude iepen, die de dodenakker omringen, uitsteekt.

Het waren de vrouw en de enige zoon van de molenaar. Toen hij beiden moest afstaan aan de onverbiddelijke dood was zijn dochter Pieternel nog maar net achttien en Anne Marie slechts veertien jaar oud.

De slag had het molenaarsgezin getroffen als een donderslag bij heldere hemel.

O zeker, moeder Gerold sukkelde toen al met haar gezondheid, maar de flinke, zwaargebouwde molenaarsvrouw had eerst de hartkloppingen en lichte benauwdheden toegeschreven aan het warme zomerweer en haar toenemend lichaamsgewicht. Maar toen die verschijnselen zich herhaalden, werd toch, op aandringen van haar huisgenoten, een dokter geraadpleegd.

Deze vatte de symptomen niet zo gemakkelijk op als moeder Gerold, want hij sprak van hartzwakte, schreef geneesmiddelen voor en waarschuwde dringend dat ze zich niet druk mocht maken.

In die tijd was Bastiaan, de jonge flinke molenaarszoon, net twintig jaar oud geworden en iedereen die hem kende mocht hem graag, want hij had hetzelfde vriendelijke, goedige karakter als zijn moeder.

Bartel Gerold was trots op zijn zoon, die net als hij met al de liefde van zijn hart gehecht was aan ‘De Korenbloem’ en het molenaarsbedrijf. En zijn zoon zou immers de traditie van het aloude geslacht van de Gerolds voortzetten?

In de grond van zijn hart was de baas van ‘De Korenbloem’ een hoogmoedig man. Wie hem oppervlakkig kende had daar geen erg in, maar degenen die dagelijks met hem moesten omgaan, wisten dat wel. En niemand wist dat beter dan moeder Gerold. Vaak genoeg had ze hem met zachte ernst gewezen op die in haar oog zo gevaarlijke karakter­trek, vooral als die zo scherp uitkwam tegenover zijn kinderen.

Zijn dochters zouden eens een goed huwelijk sluiten, waarom niet? Behoorde hij, Bartel Gerold, niet tot de aanzienlijke burgers van het dorp? Was hij geen lid van het polderbestuur en zat hij niet in de kerkenraad?

En Bastiaan? Was het niet iedereen opgevallen dat Liset, de enige dochter van de rijke graanhandelaar Helminke, deze winter bijna uitsluitend met hem, met Bastiaan, had geschaatst?

‘Loop toch niet zo op de tijd vooruit, Bartel. Dat baart me zorgen. We weten immers niet wat de toekomst brengen zal. Tot nu toe hebben we steeds door Gods goedheid nog voorspoed gehad, maar bedenk ook eens hoe spoedig die kans keren kan.’

Zo had de bazin vaak tot hem gesproken, maar zonder dat het enige merkbare indruk op de molenaar had gemaakt. Slechts even haalde hij dan zijn schouders op. Wat voor kwaad stak er tenslotte in als men plannen maakte voor de toekomst? Begon de boer, terwijl zijn koren nog op het veld stond, al niet te overleggen en vaak ook met zijn omgeving te bespreken wat hij volgend jaar op datzelfde stuk bouwgrond zou zaaien of planten?

Moeder Gerold voelde maar al te zeer de zwakheid van zijn argument. Ze kende hem te goed om te weten dat het geen zin verder op dat onder­werp in te gaan. Dat zou zijn zo gemakkelijk ontvlambare toorn alleen maar opwekken. Daarom zweeg ze, want ze had de vrede lief.

 

’t Was op een ruwe, winderige dag geweest in ’t laatst van de meimaand, toen de slag viel die de bewoners van ‘De Korenbloem’ in zo’n diepe rouw dompelde.

Tot hiertoe had de bloeimaand zich gekenmerkt door zacht, zonnig lenteweer en de molenwieken hadden slechts flauw of in het geheel niet kunnen draaien. Maar de wind was van het zuiden naar het noordwesten gedraaid en ’t ging de molenaar naar de zin, want de machtige wieken van ‘De Korenbloem’ sneden suizend door de lucht en de zware molenstenen vermaalden snel het goudgele graan.

Even na de middag was de wind nog aangewakkerd en met steeds fellere kracht draaiden de molenwieken in het rond.

Baas Gerold, die zich op dat ogenblik met Gerrit Lamer, de knecht, onder in de molen bij de graanzakken bevond, maakte de opmerking dat de wind nog meer ruimde[1] en dat hij het nodig oordeelde te gaan zwichten (zoals de molenaar dat noemt wanneer hij zeil mindert).

De baas liep even naar buiten en keek naar boven waar Bastiaan op de ‘gaanderij’ aanwezig moest zijn. De ‘gaanderij’ is het plankier dat door een lage leuning omringd wordt, op een flinke hoogte boven de grond aangebracht.

‘De wind wordt ons te machtig, Bas, we zullen moeten zwichten’, riep de molenaar met krachtige stem naar boven. Maar het geraas van de molenwieken en de felle wind verwaaiden het geluid en Bastiaan, die wel zijn vaders stem hoorde, maar de woorden niet kon verstaan, omdat hij aan de andere kant van de gaanderij stond, kwam snel toelopen.

Ach, hoe het kwam heeft niemand ooit geweten, maar hij struikelde en viel met zijn volle gewicht tegen de leuning die het plankier omringde.

Het verweerde hout kon die schok niet weerstaan en met een wilde angstschreeuw stortte de ongelukkige jongeman bijna vlak voor de voeten van zijn vader op de stenen van het molenerf neer.

 

Bartel Gerold stond als een koelbloedig man bekend en als iemand die niet snel zijn verstand verloor, maar nu, nu dit vreselijk ongeluk zijn jongen trof, stond hij zo hulpeloos als een kind.

Hij probeerde met bevende handen het zware, bewegingloze lichaam op te tillen, maar toen hij zag dat het net nog van gezondheid blozende gezicht al overtrokken werd door de vale doodskleur en bloed uit een zware hoofdwond de grauwe stenen van het molenerf rood kleurde, ontzonk hem alle kracht en zakte hij jammerend op zijn knieën.

Ook de vrouw van de molenaar had, ondanks het geraas van de malende molen en de felle wind, iets van een schreeuw gehoord en ze keek over het beschilderde horretje van achter de witte gordijntjes naar buiten, want ze zat vlak voor het raam dat uitzicht gaf op het erf.

Met een enkele blik had ze gezien welk ongeluk hun was overkomen en slechts een moment had ze beide handen op het hart gedrukt en sloot ze haar ogen, maar een ogenblik later was ze al op de plaats van het onheil. Nee, de bazin jammerde niet zoals Gerold en haar stem was het, die hem tot bezinning bracht.

‘Gauw, Bart, gauw, laten we hem meteen naar binnen brengen. En jij, Gerrit, geef die korte ladder aan, die schuiven we onder hem, dan blijft hij gestrekt liggen, gauw ... gauw dan.

 

[1] Met de wijzers van de klok draaien.