Dl. 33. Overwintering op Nova Zembla, MJ Ruissen

Dl. 33. Overwintering op Nova Zembla, MJ Ruissen
Model: 9789461151407
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 15,95
Excl. BTW: EUR 15,95
Aantal:  

Toen de Tachtigjarige Oorlog voorbij was, voeren veel Hollandse kooplieden langs de zuidkust van Afrika naar Indië om daar specerijen te kopen, maar hun levendige handel werd belemmerd door de Portugezen en Spanjaarden. Op advies van dominee Plancius probeerde men toen om via het noorden in Indië te komen. Na twee vergeefse reizen besloten De Rijp en Barendsz nog een uiterste poging te wagen om deze route te verkennen. Ze kwamen echter niet verder dan Nova Zembla. Hun schip raakte vast in het ijs en de schepelingen moesten overwinteren op dit eiland. Daar kreeg men veel last van beren. Ook miste men vitaminerijk voedsel, waardoor men scheurbuik kreeg. Het is een wonder dat de meesten na een barre tocht van achttien maanden weer terugkwamen in Holland.

Wat wij van die tocht en deze overwintering weten, danken wij aan Gerrit de Veer. Dagelijks schreef hij op wat er gebeurde. Nog steeds is dit verhaal van onze voorouders, die vol moed deze barre tocht maakten, de moeite waard om te lezen.

Doelgroep: jongeren vanaf 10 jaar. Ook ouderen zullen dit een mooi boek vinden.

 

Woord vooraf

De Hollanders hebben in de loop van de tijd op alle wereldzeeën gevaren om handel te drijven. Daardoor was er welvaart in ons land gekomen. Van al deze vaartochten is de tocht van Heemskerck en Barendsz wel de bekendste. Met hun scheepjes probeerden ze Oost-Indië te bereiken. Daarvoor hielden ze koers naar het noorden. Via de Noordpool meenden ze naar de andere kant van de aarde te kunnen varen. Maar hun tocht eindigde met een overwintering op het onherbergzame eiland Nova Zembla in 1596-1597.

Wat wij van die tocht en deze overwintering weten, danken wij aan Gerrit de Veer. De Veer had vermoedelijk op een van de schepen de functie van 2e stuurman. In zijn journaal - reisverslag - beschreef hij nauwkeurig wat er elke dag gebeurde. Ook heeft hij zijn journaal versierd met een aantal eenvoudige tekeningen, waardoor wij ons beter kunnen voorstellen onder welke omstandigheden deze overwintering plaats gevonden heeft.

Gerrit zijn vader was drukker en boekhandelaar in Amsterdam. Van hem leerde hij hoe belangrijk het is om alles op te schrijven wat er plaatsvond, zodat anderen nu nog kunnen lezen wat er gebeurd is.

Heel bekend is verder ook het gedicht van H. Tollens Czn., ‘Tafereel van de overwintering der Hollanders op Nova Zembla, in de jaren 1596 en 1597’, door hem geschreven in 1819. Boven elk hoofdstuk plaatsen wij een stukje uit dat gedicht. Onderaan de pagina staat eenvoudig, vrij vertaald, wat Tollens bedoeld moet hebben.

De overwintering op Nova Zembla heeft geen blijvende voordelen opgeleverd; integendeel, men kan gerust zeggen dat de tocht volkomen is mislukt. Maar zij geeft toch aan de wereld een bewijs van Hollandse moed en Hollandse ondernemingsgeest. Iedereen die hun verhaal leest, krijgt respect voor hun doorzettingsvermogen. Zij waren helden, die moeilijkheden niet uit de weg gingen. Ze zetten door tot het uiterste en volhardden in hun opdracht, zolang het kon.

Daarom zal dit verhaal van de overwintering gelezen worden, zolang er Hollandse jongens en meisjes zijn, die er trots op zijn dat er zulke helden in hun voorgeslacht geweest zijn, die dit hebben aangedurfd. Daarom verdient ook dit verhaal een plaats in onze serie 'Historische verhalen voor jong en oud'. 

M.J. Ruissen

 

HOOFDSTUK I

Van een dominee die meer kan dan preken

Nog hield het schrik’lijk pleit van dwang en vrijheid aan, 

Nog droeg der vaad’ren erf de Spaanse legervaan[1].

Tollens.

‘De soldaten mogen gaan waar ze naartoe willen, want ik wil hen vrije aftocht geven, maar die dominee moeten we hebben!’ Dat was het bevel van de Spaanse bevelhebber, Parma, toen hij de stad Antwerpen in 1585 veroverd had. De dominee die hij gevangen wilde nemen, was Petrus Plancius of Platevoet. Petrus Plancius was in Dranoutre in 1552 in Vlaanderen geboren. Op jonge leeftijd vertrok hij naar Duitsland en later ging hij naar Engeland. Op zijn vierentwintigste jaar was hij al predikant. De felste vervolgingen door de Spanjaarden waren toen al wel voorbij, maar toch was het in die tijd nog heel gevaarlijk om dominee te zijn. Plancius kreeg de zorg voor verschillende gemeenten in West-Vlaanderen op zijn schouders gelegd. Met ijver begon hij aan zijn taak. Overal wilde hij preken. Niet alleen in de dorpen van Vlaanderen, ook in de grote steden. Waar veel mensen woonden, wilde hij het liefst zijn. Daarom vertrok hij naar de stad. Zo werkte hij in Mechelen, Leuven en Brussel. En hij was heel ijverig. In veertien dagen tijd hield hij elf nachtelijke pre­ken in verschillende plaatsen, waarvan sommige 28 mijl van elkaar verwijderd lagen. Nog geen jaar was hij predikant, toen de inquisitie[2] weer strenger werd. Daardoor werd het gevaarlijk voor hem om nog langer in de steden te blijven preken. De kans dat hij daar gevangengenomen zou worden, werd met de dag groter. Daarom besloot hij om de stad te verlaten en weer in het open veld het Evangelie te gaan brengen. Maar ook dat bleek niet veilig te zijn. Op een mooie dag in mei werden de hagenpreek, waarbij hij preekte, door ketterjagers overvallen. Dominee Plancius zag gelukkig bijtijds het gevaar. Hij holde voor zijn leven en wist nog net op tijd te ontsnappen. Maar zijn ouderling Pieter Panis werd gegrepen en later onthoofd. 

Voorlopig was Plancius weer veilig, maar heel lang duurde zijn rust niet. De roomsen waren nog steeds erg boos over de Beeldenstorm, die pasgeleden had plaatsgevonden. Ze konden het nog steeds niet verdragen dat bijna al de mooie beelden die in de kerken stonden, vernield waren. Sommigen waren zo kwaad dat ze de ketters wilden gaan vervolgen. Zij vormden een legertje tegen de beeldenstormers en noemden zich de ‘Malcontenten’. In bendes trok­ken deze boze Malcontenten al plunderend door het land. Ze brachten ook een bezoek aan Meenen, de plaats waar Plancius woonde. Daar doodden ze alle ketters die ze vinden konden. Zij richtten een verschrikkelijk bloedbad aan en probeerden toen ook dominee Plancius te pakken te krijgen. Op zijn vlucht stuitte Petrus op de rivier de Leije, terwijl zijn achtervolgers hem op de hielen zaten. De dominee sprong in het stromende water. Hij kon nog op het nippertje aan een afschuwelijke dood ontkomen door over dit riviertje te zwemmen. Alles wat hij bezat, moest hij achterlaten. De overvallers drongen zijn huis binnen en stichten er brand. Ook zijn bibliotheek werd niet gespaard. Al zijn mooie, kostbare boeken gingen in vlammen op.

 

[1] De van onderdrukking was nog niet voorbij op deze dag.

Nog steeds wapperde in ons vaderland de Spaanse vlag.

 

[2] Rechtbank van de Katholieke Kerk, belast met de opsporing van, het onderzoek naar en het opleggen van straffen aan ketters.