Dl. 32. Willem Tell, Zwitserse vrijheidsstrijder, P. de Zeeuw

Dl. 32. Willem Tell, Zwitserse vrijheidsstrijder, P. de Zeeuw
Model: 9789461151391
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 15,95
Excl. BTW: EUR 15,95
Aantal:  

Dl. 32 van de historische verhalenserie.

U kunt zich abonneren op deze prachtige historische verhalenserie voor €10,95 ipv €15,95. Van de al verschenen delen mag u dan ook bij bestellen welke u wenst. 

Dit deel komt eind mei uit. 

Willem Tell

Willem Tell, een Zwitserse jager uit de kanton Uri, sluit een verbond met andere kantons om samen een opstand tegen de Oostenrijkers te beginnen.

Er wordt hiervoor een datum afgesproken; tot zolang zullen ze wachten. Maar als Willem Tell niet voor de hoed buigt die de landvoogd Geszler had opgericht, wordt hij gedwongen om een appel van het hoofd van zijn zoon Walter te schieten.

Dat lukt hem, maar toch wordt hij weer veroordeeld. Tijdens de overtocht over het Vierwoudstedenmeer - onderweg naar de gevangenis - komt er een zware storm opzetten. Tell krijgt het roer in handen. Hij slaagt erin om alleen aan wal te komen en vanuit een hinderlaag de landvoogd neer te schieten.

Dit wordt het begin van de Zwitserse opstand. In de vrijheidsstrijd wordt hij een van de belangrijkste aanvoerders.

 

1. Willem Tell redt zijn vriend

Willem Tell, een Zwitserse jager, kijkt naar de lucht en schudt zijn hoofd.

‘Dat loopt mis’, mompelt hij, ‘we krijgen een hevige storm en ik mag me wel haasten, anders wil de veerman me niet meer over het meer zetten.’

Tell komt uit het gebergte en is op weg naar huis, naar het dorpje Bürglen, dat aan de andere zijde van het Vierwoudsteden­meer ligt. Daar staat zijn boerderij en daar woont hij met zijn vrouw Hed­wig en met Walter en Willem, zijn twee zonen.

 

Hij ziet dat er storm op komst is. Deze gevaarlijke ‘föhn’, een valwind uit de bergen, is zo sterk dat de gol­ven van het meer huizenhoog opgestuwd kunnen worden en zelfs rotsen erdoor kunnen breken.

Tell weet hoe gevaarlijk de föhn kan zijn en daarom haast hij zich zoveel hij kan.

Hij ziet het meer al. En daarbij het veerhuis van Siegfried, dat aan de oever staat. Nog even dit bergpad aflopen en ik zal er zijn, denkt hij.

Maar wat is daar aan de hand? Ziet hij het goed? Is de veerman bezig om nu al zijn boot op de wal te trekken? Ja, hup! Daar gaat de boot het water uit. De veerman heeft groot gelijk, vindt Tell, maar het komt hem slecht uit.

Kan hij nog niet even wachten? De storm is toch nog niet in alle hevigheid losgebroken? Wacht, hij zal hem waarschu­wen! Tell zet zijn handen als een trompet voor zijn mond en roept zo hard hij kan: ‘Hallo, wacht even, ik moet nog over!’

Nog eens en nog eens herhaalt hij deze oproep.

Eindelijk lijkt Siegfried hem te horen. Hij kijkt omhoog, naar het pad, waar­langs Tell snel afdaalt. ‘Zo, dat is Tell, zie ik’, mompelt hij. ‘Die wil zeker nog overgezet worden? Nu, maar hij is een knap iemand als hij mij in de boot krijgt. De storm breekt nu al los. Ik moet om mijn vrouw en kinderen denken en ga mijn leven er niet aan wagen. Tell moet deze keer maar wachten tot de storm is gaan liggen.’