Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Dl. 28. Vreewalds molen, W. Schippers

Dl. 28. Vreewalds molen, W. Schippers
Model: 9789461150424
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  
Dl. 28. Vreewalds molen, W. Schippers Dl. 28. Vreewalds molen, W. Schippers Dl. 28. Vreewalds molen, W. Schippers Dl. 28. Vreewalds molen, W. Schippers Dl. 28. Vreewalds molen, W. Schippers Dl. 28. Vreewalds molen, W. Schippers Dl. 28. Vreewalds molen, W. Schippers

Deel 28.

Vreewalds molen -  W. Schippers

Als éénoog koning is …

  

 Verschenen februari 2013

 

Gijs Post keert als geridderde soldaat terug uit Nederlands-Indië. Wanneer hij merkt dat zijn zus Sanna door haar dronken man vreselijk mishandeld wordt, slaat hij hem bijna dood. Gijs moet ervoor in het gevangenhok boeten. Na zijn ontslag uit de gevangenis betrekt hij samen met Sanna de verwaarloosde woning van de reeds overleden scharenslijper Lonneker.

In diens schuur vindt hij een tweetal geweren, waarmee hij gaat stropen. De gezelligheid en de drank die Gijs biedt, oefenen grote aantrekkingskracht uit op de jongens uit het dorp. In het bijzonder sluit de stroper vriendschap met Henk, de oudste zoon van de molenaar van de Vreewalds molen.

Wanneer Gijs in de buurt van de Vreewalds molen door noodweer overvallen wordt en onder zijn hondenkar terechtkomt, komt Wouter Vreewald hem te hulp. Gijs leert Frans, de muzikale zoon van de molenaar, waarderen en komt tot inkeer. Als Henk zich als dienstdoende huzaar te buiten gaat tegenover zijn meerdere in het leger, treedt hij op als bemiddelaar.

Boer Mungel zegt Gijs het huurcontract op. Hierdoor van streek geraakt, kan hij de verleiding niet weerstaan om weer te gaan stropen. Dat wordt zijn laatste schot …

 

1. Gijs als zwerver

 

Gijs en Sanna Post waren kinderen van een arme, eerlijke, brave dagloner, die van de vroege morgen tot de late avond hard moest werken om voor de zijnen het meest noodzakelijke te verdienen.

Zolang zijn ziekelijke vrouw leefde, was het met de kinderen nogal gegaan, maar na het overlijden van hun moeder waren zij veelal aan zichzelf overgelaten.

En vooral Gijs, die toen een deugniet van een jaar of twaalf was, verwilderde volledig. De goede vader kon de woeste knaap niet regeren. Vermaningen, bedreigingen en zelfs de strengste kastijdingen bleken niet in staat dat ontembare gemoed te temmen. Nooit blonken er tranen in zijn ogen of bleek het minste teken van berouw uit zijn gedrag.

Strafte zijn vader hem, dan verdroeg hij dat zonder enig woord, zelfs van verweer. Maar o wee, als iemand anders hem te na kwam! Dan stribbelde hij tegen met de woede van een in het nauw gedreven kat. En al deden de klappen van een veel grotere en sterkere tegenstander zijn oren tintelen en de sterretjes voor zijn ogen dansen, geen stap week hij terug en hij hield vol tot het uiterste, zodat men ten slotte nog blij mocht zijn, als men zonder kleerscheuren van de kwade deugniet af kwam.

 

Maar Gijs werd groter en moest wat gaan verdienen. En dat was heel moeilijk, want er waren maar weinig boeren in het dorp die niet op een of andere tijd last van de deugniet hadden gehad.

Eindelijk lukte het echter om hem als koeienwachter ge­plaatst te krijgen bij een rijke veehouder, die op een ver in de polder gelegen hoeve woonde.

In het begin stond dit baantje Gijs wel aan, maar de eenzame polder met zijn talloze sloten, zijn korenakkers en weide- of klavervelden, bevatte voor de ondernemende knaap, die van alles het naadje van de kous moest weten, zoveel afleiding, dat hij er vaak zijn koeien door vergat. Uren kon hij doorbrengen met in de sloten de vlugge snoek of de logge zeelt[1] te vangen met een strik van koperdraad, in welke kunst hij een weergaloze behendigheid kreeg. Dan weer beloerde hij met eindeloos geduld de haas in zijn leger of de patrijs op zijn nest. Maar ondertussen liepen de koeien op het klaverland van een ander of deden schade aan het jonge graan.

Dit gaf aanleiding tot klachten en de boer, die geen onaan­genaamheden met zijn buren wenste, moest ten einde raad wel besluiten, zijn koeienjongen weg te sturen. Nu werd Gijs weer zijn vader tot last en deze was wat blij, toen hij, na veel moeite, erin slaagde, de jongen als staljongen bij een vracht­rijder geplaatst te krijgen.

Weer ging het een poosje goed. Gijs leerde met paarden omgaan en verrichtte zijn stalwerk tot genoegen van de baas. Maar er was één ding, dat deze niet naar de zin ging.

De stalhouderij stond midden in het dorp en de weide, waarin de paarden de nacht doorbrachten, lag een kwartiertje erbuiten. En nu mocht Gijs ’s morgens bij het aanbreken van de dag de paarden halen en ze ’s avonds, als het werk geëindigd was, weer wegbrengen. Dit werkje beviel Gijs nog het best van alles en al snel was er geen boerenjongen in het hele dorp, die beter reed dan hij. Al meer dan eens had de baas hem echter verboden hard te rijden, want de arme dieren, die vaak een dag van zware arbeid achter de rug hadden, werden ’s avonds door de meedogenloze knaap tot steeds grotere snelheid aangedreven, zodat zij vaak nat bezweet in het land kwamen. Maar Gijs stoorde zich niet aan het verbod van zijn baas. Zodra deze uit het gezicht was, liet hij de paarden rennen, dat de vonken uit de stenen spatten.

 

Eens op een avond, als de nevel een zilveren sluier over de velden weeft en de volle maan door het dakvenstertje in de stal schijnt, kan Gijs de slaap niet vatten. Hij keert zich om en nog eens om op zijn bed, dat enkel uit hooi en een grote, groene paardendeken bestaat en tuurt naar de lichte streep, die de maan door de donkere stal trekt. Opeens echter komt hij overeind, werpt de deken van zich af en trekt zijn kleren aan. Dan sluipt hij zacht en behendig als een kat door de stal, neemt een halster van de spijker en klimt door het dakvenster naar buiten. Een oude appelboom, waarvan de afhangende takken aan de achterkant het dak van de stal raken, dient voor hem als ladder, waarlangs hij de begane grond bereikt.

Gijs snelt in de mooie zomernacht op lichte voeten, met on­hoorbare tred, door het dorp, waar alles slaapt. En door geen menselijk oog gezien, bereikt hij de weide, waar zijn viervoetige vrienden hun welverdiende rust genieten. Met de halster in de hand springt hij over het hek en ziet al vlug de donkere paardenlijven als eilandjes uitsteken boven de nevel, die laag over het land hangt.

Na even rondgescharreld te hebben, komt hij bij een jonge, bruine merrie, die snuivend overeind komt en probeert haar met een beetje haver, dat hij in zijn pet doet, en met een paar mooie woordjes te lokken. Het paard kent die stem en ruikt de haver. En terwijl het aarzelend de bek in de pet waagt, gooit Gijs het behendig de halster om de nek, schudt de laatste haverkorrels weg en zet de pet weer op zijn ongekamde, ros­sige haar. Nu verlaat hij met het paard aan de halster de wei en doet het hek zorgvuldig weer dicht.

Op het voetpad, dat langs akkers en velden naar de landweg leidt, stijgt hij op.

‘Vort, Bles, vort!’

En in flinke draf gaat het voorwaarts.

Toch geeft het de ruwe gast een vreemd gevoel, nu hij in midder­nachtelijke stilte langs de met gras begroeide paden rijdt, waar de hoefslag van het paard nauwelijks hoorbaar is.

Vreemd: terwijl Gijs anders voor zachtere overwegingen niet erg vatbaar is, komt nu de herinnering aan zijn overleden moeder telkens weer boven. Zou zij ook zo op hem neerzien, zoals die vriendelijke sterren doen? Want dat zij daarboven, nog hoger dan de sterren, bij ‘onze lieve Heer’ en bij de engelen is, dat gelooft Gijs vast en zeker.

Wat geheimzinnig fluisterend ritselt de nachtwind door de elzenstruiken langs de griendzoom: net de zware zucht van een mens met een beklemd gemoed. Zo kon moeder ook zuchten, als zij naar Sanna keek, die voor haar bed op de grond zat te spelen met haar oude pop. Arme, kleine zus, denkt Gijs.

‘Vort, Bles, vort!’

De paardenhoeven ploffen sneller in het mollige gras, maar de gedachte aan moeder laat Gijs niet los.

‘Zul je altijd veel van zus houden en voor haar zorgen, zoveel je kunt, Gijs? Want ik zal niet lang meer bij jullie zijn.’

Het is de knaap, of hij het haar nog hoort vragen. En meer van die lang vergeten woorden klinken weer op uit zijn herinne­ring. Wat vertelde moeder graag van de Heiland, Die in armoede geboren werd in de stal van Bethlehem en Die voor Zijn kinderen stierf aan het vreselijke kruis van Golgotha. Van die God, voor Wiens almacht niets onmogelijk is, voor Wiens alziend oog niets bedekt kan blijven – ook niet mijn ondeugende streken, denkt Gijs.

‘Als moeder nog maar leefde, dan zou alles wel beter gaan. Alle mensen zijn tegen mij en vader houdt ook niet van mij. Die houdt meer van San, maar San past ook beter op dan ik’, zo mompelt hij stil voor zich uit.

‘Bim! bam!’

Gijs schrikt op uit zijn gedachten als hij de torenklok uit het dorp hoort slaan.

Twaalf maal klinken die klokkentonen en verkondigen, dat het uur van middernacht is aangebroken. En de eenzame ruiter kijkt rond, waar hij zich bevindt.

Hij is om de Wielen[2], dwars over de landweg heen, gereden en bevindt zich midden in de polder, ver achter Vreewalds molen, die aan de landweg staat. Snel wendt hij de teugel en met een gevoel van angst overlegt hij, hoe lang de terugweg nog wel zal duren.

Weg zijn alle ernstige gedachten. En als het paard in zijn snelle draf over een molshoop struikelt en Gijs bijna over de kop van het beest heen schiet, stoot de deugniet een ruwe vloek uit en drijft het arme dier aan tot nog meer spoed.

‘Vort, Bles, vort!’

De aardkluiten vliegen omhoog. En wanneer uiteindelijk het doel bereikt is en Gijs voor het hek van de wei stilhoudt, dan trillen grote schuimvlokken, zo wit als sneeuw, op de hijgende borst van het paard.

Vlak bij het hek, aan de slootkant, staat een oude knotwilg, en ternauwernood heeft de knaap weer vaste grond onder de voeten of een man springt achter die boom vandaan en geeft hem een oorveeg, die hem omver doet tuimelen.

 

‘Hier, jij rakker!’ zo buldert een forse stem en een krach­tige hand schudt hem als een jonge kat door elkaar.

‘Mijn paarden midden in de nacht uit de weide halen en half dood rijden! Ik zal je vernielen, kwajongen!’

Maar opeens laat de woedende man een kreet van pijn horen en laat Gijs los, die als een kogel uit het geweer wegschiet en dwars door de velden een goed heenkomen zoekt.

De stalhouder staart hem verbluft na en wrijft de plek op zijn linkerhand, waarin Gijs de scherpe tanden heeft gezet.

‘Die jongen heeft de boze in het lijf’, mompelt hij, en staat nog en kijkt, als de vluchteling al lang in de nevel is ver­dwenen.

De aanwezigheid van de man op deze plaats is gemakkelijk te verklaren. Een luid en aanhoudend kloppen op de staldeur had hem uit de slaap gewekt. En omdat Gijs niet opendeed, was hij zelf naar buiten gegaan. Hier vond hij een jonge man, die verlangde dat er meteen een rijtuig zou worden ingespannen om een dokter voor zijn zieke vrouw te halen.

De stalhouder had voor dergelijke gelegenheden gewoonlijk een of twee paarden op stal staan en meestal had Gijs het paard al voor het wagentje gespannen, voordat de baas eraan te pas kon komen. Nu echter was tot grote bevreemding van deze niets van Gijs te merken, maar al snel begreep hij, hoe de vork in de steel zat, want de halster was weg en het dakvenster­tje stond open. Kokend van drift spande hij in, daarbij door de jonge man geholpen.

En na de dokter gehaald en ook weer weggebracht te hebben, haastte hij zich naar het weiland om te zien of Gijs werkelijk een van zijn paarden had durven nemen om daarmee midden in de nacht zijn lust tot rijden bot te vieren. Nauwelijks had hij echter de tijd gehad om zich achter een boom te verschuilen, of daar kwam de boos­wicht aanjagen. Wij hebben gezien, wat voor ontvangst deze toen te beurt viel.

 

[1] zoetwatervis

[2] klein meer