Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Er kan wegens corona ook besteld worden en opgehaald op afspraak

Naar DeRamshoorn.nl

Dl. 13. Calvinisten v.h. eerste uur, J. van Reenen

Dl. 13. Calvinisten v.h. eerste uur, J. van Reenen
Model: 9789461150622
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 15,95
Excl. BTW: EUR 15,95
Aantal:  
Dl. 13. Calvinisten v.h. eerste uur, J. van Reenen Dl. 13. Calvinisten v.h. eerste uur, J. van Reenen Dl. 13. Calvinisten v.h. eerste uur, J. van Reenen

Verschenen!

Calvinisten van het eerste uur

Roeland en Liesbette maken de goede keus

Jan van Reenen

 

Op een dag ontmoet Roeland, een jonge vleeshouwer uit Gent, een lief meisje met een rood kapje. Hij moet steeds aan haar denken en probeert uit te zoeken waar ze woont. Plotseling ziet hij ze weer, maar tot zijn schrik merkt hij dat een valse jongen haar belaagt. Hij bevrijdt Liesbette – zo heet ze - en sluit vriendschap met haar.

Maar van verkering kan niets komen, want ze gaat naar de hagenpreken buiten de stad Gent. Toch laat Roeland haar niet in de steek. De prediking wordt het middel van zijn bekering. Roeland keert zich ook af van de  Roomse kerk.

Plotseling wordt Liesbette gevangen genomen. Roeland is hierover heel verdrietig. Graag wil hij haar bevrijden. Maar hij weet niet waar ze opgesloten is. Hij sluit zich aan bij de verdedigers van de calvinistische stad Valenciennes en later bij de bosgeuzen. Zwaar wordt de strijd voor de waarheid tegen Alva, maar door de liefde tot God en Liesbette houdt hij vol.

 

Dit deel uit de historische verhalenserie voor de jeugd gaat over het begin van Tachtigjarige Oorlog speelt zich af in de Zuidelijke Nederlanden. Ook ouderen zullen dit verhaal graag lezen.

 

Doelgroep: 10 jaar en ouder.

 

 

Hoofdstuk 1

Roeland en Liesbette leren elkaar kennen

 

Daar botst hij met zijn kruiwagen nota bene tegen een meisje aan! Roeland zet zijn kruiwagen met vlees even neer en kijkt recht in het geschrokken gezicht van een jong meisje.

‘Ik deed het per ongeluk’, zegt hij, net zo geschrokken als zij.

‘Maar mijn rok is wel vies geworden’, antwoordt het meisje dat haar handen in haar zij zet. Haar mandje, dat ze met haar rechterhand vasthoudt, bungelt tegen haar heup.

‘Ik zal helpen met schoonmaken’, biedt Roeland aan.

Haar blauwe ogen worden minder groot en kijken vriendelijker. Met een armzwaai vraagt hij haar te volgen naar de vleeshouwerij, waaruit hij net weggegaan was. Hij zet zijn kruiwagen met vlees dicht bij de ingang, zodat hij er een oogje op kan blijven houden. Roeland let niet op zijn baas die verwonderd is dat hij nu al weer terugkomt. Met een gebaar beduidt hij het meisje dat ze dichterbij kan komen. Ze blijft dicht bij de deuropening staan en wacht tot hij een doek natgemaakt heeft, waarmee hij haar rok wil schoonmaken.

‘Dat kan ik zelf’, zegt ze, een beetje snibbig. Roeland blijft er een beetje onhandig bij staan, terwijl het meisje haar rok schoonmaakt. Wat heeft ze een knap gezicht onder het rode kapje, ziet hij ineens. En wat een mooie ogen! Opeens valt hem op dat ze net boven haar linker wenkbrauw een klein litteken heeft.

Het meisje kleurt als ze ziet dat Roeland naar haar kijkt, maar ze zegt: ‘Dankjewel.’ Dan pakt ze haar mandje weer op en draait zich om. Roeland blijft het slanke meisje nakijken. Het laatste wat hij van haar ziet is het rode kapje.

‘Wat is er met jou aan de hand?’ vraagt Denijs, zijn baas, die even naar hem toekomt met een bloederig mes, dat hij zojuist gebruikt heeft, in zijn rechterhand.

‘O, ik liep net tegen een meisje aan met mijn kruiwagen.’

‘Maar waarom sta je nu dan zo te kijken?’

Roeland voelt dat zijn gezicht rood wordt en weet geen antwoord te bedenken.

‘Kom op, Roeland, aan het werk, en niet meer aan meisjes denken’, grapt zijn baas, om te vervolgen: ‘Denk erom dat je het vlees netjes aflevert bij het klooster. De monniken zijn onze beste afnemers en ze betalen een goede prijs, maar ze willen geen vlees van een omgevallen kruiwagen.’

‘Baas, wat …?’

Denijs geeft hem een klap op zijn schouder. ‘Roeland, ik weet best hoe trouw je je werk doet. Zorg ervoor snel terug te zijn, want er is nog veel te doen vandaag.’

Dat was de eerste kennismaking van Roeland met Liesbette. Zullen er nog vele volgen?


De zon is nog niet onder als Roeland aan het einde van de werkdag naar huis gaat. Op de terugweg naar huis zoekt hij naar het meisje met het rode kapje. Waar zou ze wonen? Hij woont in de Burgstraat te Gent. Vanaf de vleeshouwerij van zijn baas moet hij eerst via een brug de rivier oversteken en de burcht het Gravensteen passeren. Hij woont samen met zijn ouders en zijn zus op goede stand in een mooi burgerhuis. Hun huis heeft een voorhuis, een binnenhaard en een achterkeuken. Zijn vader heeft altijd heel hard gewerkt in zijn eigen vleeshouwerij, die Roeland later hoopt over te nemen. Stel je voor dat het mooie meisje dat ik vandaag ontmoette mijn vrouw zou worden! Wat zou het dan mooi zijn om het bedrijf van vader over te kunnen nemen. Maar hoe hij ook rondkijkt, hij ziet haar niet.

 

Als hij even later binnenkomt, haalt zijn moeder de soeppan juist van de haal boven het vuur en zet die met een klap op de ronde tafel. Zijn vader en zijn zus Everlijn zitten al te wachten. Ze krijgen allemaal een schep soep die dampt en heerlijk ruikt naar uien en bruine bonen.

Algauw zijn ze aan het eten. Roeland roert zonder nadenken met zijn lepel door zijn kom. Even luistert hij naar de gesprekken van de anderen. Zijn vader vertelt dat hij vandaag een koe geslacht heeft die bijzonder mooi vlees opleverde, waarmee hij zijn goede klanten een groot plezier kan doen. Roeland is een en al belangstelling, want hij zit ook in het vak. Zijn vader geeft met zijn handen aan hoe groot de stukken vlees wel waren.

Voordat hij uitverteld is, begint zijn moeder te praten. ‘Ik ben het niet eens met de nieuwe leer, waartegen heer pastoor elke zondag zo waarschuwt.’

Dat verhaal kent hij nu wel. Hij verliest zijn aandacht voor de anderen en ziet het gezicht van dat meisje weer voor zich terwijl ze ingespannen aan het boenen was. Hoe zou ze heten? Margaretha, Elisabeth, Hildegond of Johanne? Zo’n mooi meisje zal wel niet Betken of Zoetken heten. Ik denk dat ze een dochter van een belangrijk iemand is. Wanneer krijg ik haar weer te zien?

Ineens ziet hij dat zijn vader en moeder en Everlijn hem aankijken. ‘Waar zit jij met je gedachten?’ vraagt zijn moeder.

Als Roeland niet antwoordt, zegt Everlijn, die een jaar jonger dan de twintigjarige Roeland is: ‘Denk je soms aan een meisje?’

Roeland begint te kleuren en slaat zijn ogen neer. Van hem zullen ze niets horen.

‘Laat die jongen toch’, bromt vader, in het bijzonder tegen moeder, ‘we zijn zelf ook jong geweest.’ En dan tegen Everlijn: ‘En jij kijkt ook naar jongens en ik zeg toch ook niet dat het niet mag?’

‘Als het maar geen geuzenmeid is’, vindt zijn moeder, ‘er zijn tegenwoordig zoveel ketters en geuzen en ze worden zo brutaal.’

Daarmee heeft ze weer haar favoriete gespreksonderwerp te pakken, merkt Roeland.

‘Waar zie je me voor aan?’ vraagt de jongen, blij dat op deze manier de aandacht afgeleid kan worden. Hij richt zijn aandacht op zijn soepkom en neemt een hap van het donkere brood.

‘Zeg luister eens’, zegt Everlijn, ‘binnenkort zal er een ketter in de buitenlucht in de buurt van Gent komen preken.’

Zijn moeder luistert met een bezorgd gezicht, zoals ze overal bezorgd over is, maar zijn vader lijkt aan andere dingen te denken.

Everlijn vertelt verder: ‘Ze willen een bijeenkomst houden op een stuk land langs de rivier, een stuk stroomopwaarts hiervandaan. Er zal een geuzenprediker komen en er zullen gewapende mensen bij zijn. Nu al worden bootjes te huur aangeboden. Tijdens die preek zullen een heleboel winkels aan de Langemunt gesloten zijn. De halve stad gaat erheen.’

‘Ach, dat doen ze in andere plaatsen ook allang’, zegt zijn vader. ‘Laten wij ons er niet druk om maken, want dat doet de kerk wel.’

Dat laatste had hij beter niet kunnen zeggen, bedenkt Roeland, die al weet wat er komen gaat.

‘Hoe durf je dat nu te zeggen?’ vaart zijn moeder uit, terwijl ze fel naar vader kijkt. ‘Iedereen heeft de plicht om ketterse ideeën tegen te gaan, ook wij.’

‘Verklikkers zijn er al genoeg’, zegt vader laconiek. ‘Zou jij voor zeven stuivers iemand aan willen geven?’

‘Daar gaat het niet om, dat weet je ook wel. Ik ga niemand aanbrengen. Het is geen verraad om mij te verzetten tegen de nieuwe ideeën die tegen de kerkleer ingaan, omdat het gaat om de zaligheid.’

‘Wat weten wij daar nu van?’ vraagt vader zich af. ‘Ik doe mijn plichten en hoop er het beste van. Laten we ons maar niet druk maken over die dingen.’

‘Zie je dan niet hoe de kerk vergiftigd wordt door die nieuwe leer?’ vraagt moeder.

‘O zeker, ik zie genoeg. Ik ben blij met de kerk en met het klooster. Aan wie moesten wij anders onze lekkere hammetjes verkopen?’

‘Zo mag je niet praten, man. Ik vind het verschrikkelijk dat de magistraat in onze goede, oude stad zo laks is en alles maar laat begaan. Ze moesten de stadswachten op de ketters afsturen, dan zou het gauw afgelopen zijn met die bijeenkomsten. Maar nee, iedereen vindt het maar goed en denkt alleen maar aan zijn rust. Als het zo doorgaat, komt er onheil. Ik …’

‘Rustig maar, vrouwtje, ik bedoel het zo verkeerd niet. Ik wilde alleen maar zeggen dat we ons niet te veel moeten opwinden. Natuurlijk ben ik het wel met je eens.’

Roeland kijkt eens naar Everlijn en ze kijkt terug. Zo gaan de twistgesprekken tussen hun ouders vaker. Roeland neemt een slok bier, spoelt zijn mond en denkt verder over het meisje dat hij gezien heeft.

 

Na het eten houdt zijn zus hem staande op het achtererf, naast de kippenren.

‘Mag ik weten aan wie je dacht?’ vraagt ze.

‘Ik ken haar zelf niet eens.’

‘Waar heb je haar dan gezien?’

Roeland kijkt naar de kippen die met hun poten de grond los krabben en schopt een keer met zijn voet tegen een paal van de ren, zodat de kippen verschrikt opzij stuiven. ‘Och, er is niets aan de hand. Ik zag alleen maar een mooi meisje, dicht bij de vleeshouwerij van mijn baas. Ik botste per ongeluk met mijn kruiwagen tegen haar aan en toen heb ik haar geholpen met het schoonmaken van haar rok.’

‘Maar ze heeft wel indruk gemaakt, merk ik. Hoe zag ze eruit?’

‘Ze had een blauwe jurk aan met een brede ceintuur en rode striklisjes en ze droeg een donkerrood kapje op haar hoofd en ze had blauwe ogen.’

Zijn zus haalt haar schouders op. ‘Er zijn meer meisjes die er zo uitzien, broer’, zegt ze. ‘Jij wilt natuurlijk te weten komen hoe je haar weer te zien kunt krijgen? Ik wil je wel helpen, maar dan moet ik eerst iets meer over haar weten.’

Roeland bromt een keer. Eigenlijk wil hij niet dat zijn zus zich ermee bemoeit, maar hij heeft weinig keus als hij dat meisje nog een keer wil zien. Zelf is hij het grootste deel van de dag in de vleeshouwerij, terwijl zijn zus, die werkt bij een rijke familie in de stad, vaak naar de stad gaat om boodschappen te doen en op de kinderen te passen. Bovendien heeft ze vriendinnen, die misschien wat meer weten.

‘Nou ja, ze had een mandje aan haar arm. Ik bedenk nu ineens dat ze misschien wel bij een rijke familie werkt en dat ze boodschappen aan het doen was. O ja, en ze had een litteken boven een van haar ogen, ik weet niet meer welke.’

‘Dan was het dus niet zo’n knap meisje?’

‘Zo’n klein litteken zegt helemaal niets …’

‘Je lijkt wel een meisje, als je zo reageert, broer.’

 

Roeland besluit op deze mooie voorjaarsavond nog even de stad in te gaan in de hoop ‘haar’ te zien te krijgen. Hij loopt naar de straat waar hij haar vanmorgen zag. Misschien woont ze daar wel in de buurt.

Hij ontmoet veel mensen: een man met een zak stro op zijn rug, een paar jongens die aan het paardje spelen zijn en in volle vaart langs hem heen rennen, een man met een kruiwagen vol mest die behoorlijk stinkt, en een vrouw met een bos gesprokkeld hout op haar rug dat door een touw bijeengehouden wordt. Vlak voor hem loopt een varken met een bel om zijn nek al knorrend naar eten te zoeken. Het dier snuffelt in het vuilnis aan de kant van de weg.

Roeland heeft de neiging het dier een schop te geven, maar hij bedenkt zich bijtijds, wetend dat het varken eigendom is van het klooster en dat hij door die schop problemen zou kunnen krijgen. Een man in vuile kleren met een been in het verband, voortstrompelend op twee stokken, kijkt hem aan. Hij zegt niets, maar het is duidelijk dat hij medelijden wil opwekken en graag iets wil hebben. Roeland bedankt ervoor en kijkt hem recht in het gezicht, waarop de ander wegkijkt.

Op straat lopen ook deftige mannen en vrouwen met kleurige kleren en fraaie mutsen en er is nog veel meer te zien, maar het meisje van vanmorgen kan hij niet ontdekken. Hij ziet wel andere meisjes van zijn leeftijd die naar hem kijken en een beetje giechelen. Dat gebeurt wel vaker. Roeland weet dat hij dankzij zijn stevige gestalte bij veel meisjes in de smaak valt, maar hij let deze keer niet op hen.

Roeland loopt verder, hij is nu in een deftige buurt aanbeland met huizen met een hoge stoep, veel ramen en sierlijke gevels. Geleund tegen een huis met een fraaie schoen als uithangbord blijft hij staan en bekijkt hij de mensen die langskomen: een paar monniken in zwarte gewaden, een man te paard, voor wie de anderen aan de kant gaan en twee vrouwen die zo druk met elkaar praten dat ze niets van hun omgeving merken. Maar het meisje van vanmorgen is er niet. Hij blijft wachten tot het schemerig begint te worden en het rustig wordt op straat. Een gevoel van enorme teleurstelling maakt zich van hem meester. Hoe kan hij dat meisje ooit te zien krijgen?

 

Een paar dagen later komt Everlijn na het avondeten naar hem toe. ‘Ik heb het meisje gezien’, zegt ze zelfverzekerd. ‘Ik denk dat ze bij een rijke familie werkt, maar een paar straten bij de familie vandaan waar ik dienst doe. Toen ik haar zag, wist ik direct dat zij het was, aan haar rode kapje en haar litteken boven haar linkeroog. Ik zag haar met haar mandje vol boodschappen lopen, toen ik op weg was naar huis. Ik ben haar op afstand gevolgd tot ze bij een huis naar binnen ging.’

‘Waar was dat?’ vraagt Roeland.

‘Ja jochie, dat zou je wel willen weten, hè?’ plaagt zijn zus, terwijl ze hem lachend met een arm op afstand houdt.

Roeland grijpt zijn zus bij de arm en zegt dwingend: ‘Zeg op waar het is, dan ga ik er direct naartoe.’

‘Broertje, doe geen domme dingen, je kunt zo opvliegend zijn. Zou jij wel met dat meisje kunnen omgaan?’

‘Waar woont ze?’

Ze woont aan de Hoogstraat, dicht bij de taveerne De Gekroonde Hoofden, vijf of zes huizen verder. Het huis heeft een hoge blauwe stoep met vier of vijf treden en een balustrade en een mooi versierde gevel. Het is mooier dan de huizen er direct naast die geen hoge stoep hebben.’

‘Bedankt, ik ga er direct op af.’

‘Ik zou er maar niet te veel op rekenen haar nu nog te zien te krijgen.’

Als teken van dank geeft Roeland zijn zus een schouderklopje, waarna hij snel door de poortdeur en het steegje door naar de straat gaat. Het is niet ver naar de Hoogstraat. Hij heeft de afgelopen dagen steeds dat gezicht van het meisje voor zich gezien tot hij er buikpijn van kreeg. Zou hij haar echt te zien krijgen? Wat moet hij dan zeggen?

Roeland steekt de brug over de rivier de Leie, die midden door de stad stroomt, over en loopt langs de kade waar heel wat schepen liggen om gelost te worden. Roeland heeft er geen oog voor, evenmin als voor de prachtige kerk en het Belfort, waar hij anders met zo veel trots naar kan kijken.

Daar is de taveerne en daar verderop is het huis, waar ze dan zou moeten wonen. Roeland gaat langzamer lopen. Waar zal hij gaan staan? Wat moet hij doen als hij haar ziet? Moet hij dan naar haar toe gaan? O, kijk, daar is een steegje tegenover het huis, waar hij zich achter die muur kan verstoppen.