Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Deel 43. Stem des bloeds, W. Schippers

Deel 43. Stem des bloeds, W. Schippers
Model: 9789461150684
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  
Deel 43. Stem des bloeds, W. Schippers

Deel 43. De stem des bloeds

Overwin het kwade door het goede

Verschijningsdatum: aug. 2015

Tijdens de Tachtigjarige Oorlog besluit schipper Barend Ulfersz na het overlijden van zijn geliefde vrouw van Vlissingen naar Dordrecht te vluchten om daar zijn beide zonen in veiligheid te brengen.

Onderweg treft een dodelijk musketschot de dappere schipper, terwijl hij aan het roer staat. Zijn stuurman, Maarten Vis, slaagt er wonderwel in om Dirk, de oudste zoon, uit handen van de Spanjaarden te houden door zich in het schip te verschuilen en naderhand de Spaanse wachters op het schip te overrompelen.

De jongste zoon daarentegen wordt meegevoerd naar Spanje en in Saragossa door Don José de Vivar als diens pleegzoon opgevoed.

Na de ondergang van de Armada, waarmee Spanje zowel Engeland als Nederland in een keer wilde overwinnen, komen de twee broers tegenover elkaar te staan als vijanden. Ze zijn intussen zo veranderd dat ze elkaar eerst niet herkennen. Maar de stem des bloeds spreekt en het wordt toch een ontroerend weerzien ...

 

 

 

1. Bij schipper Barend thuis

 

Stil is het in de kleine kamer, waar Barend Ulfersz waakt aan ’t ziekbed van zijn vrouw. Slechts een enkele vetkaars brandt in de stenen kandelaar en vóór dat zwakke lichtje staat nog een schermpje van dun perkament.

De man, die met voorovergebogen hoofd en de handen gevouwen op de knieën onbeweeglijk bij het bed op zijn plompe stoel zit, is niet ouder dan vijfendertig jaar, maar de trek van zorg en verdriet op zijn bleek gezicht doet hem veel ouder lijken.

Vooral de laatste paar jaren gaat de weg van Barend Ulfersz niet over rozen, wat voor een groot deel ook te wijten is aan de moeilijke tijd.

Men schrijft anno 1572 en het is in de maand april. De nette burgerwoning van Ulfersz, waar hij in sombere gedachten verzonken op zijn stoel zit, is gelegen binnen de wallen van Vlissingen. Dat feit zegt genoeg. In felle verbittering woedt de strijd tussen Spaans- en Prinsgezinden en het mooie Walcheren is een oord van haat en nijd.

Barend Ulfersz is wat men noemt een rijk man. Behalve eigenaar van de burgermanswoning is hij het ook van het vrachtschip dat op dit ogenblik in de haven ligt, “De Vrouwe Jacoba”.

Die naam had de jonge schipper zijn vaartuig gegeven, toen het nieuw van de scheepswerf kwam en de vrouw, die daar nu in de hoge bedstede achter de half dicht­geschoven gordijnen ligt, Barends jonge bruid was.

Zowel de schipper als zijn vrouw behoren tot hen, die met hart en ziel de zaak van de hervorming zijn toe­gedaan. Maar terwijl hij vaak de sterke vuist balt in machteloze toorn tegen de onderdrukkers van zijn geloof en van zijn volk, is er bij zijn jonge vrouw geen plaats voor haat of dorst naar wraak. Zij wijst hem op het Lam Gods, Dat stemmeloos was voor Zijn scheerders. Op de Heiland, Die weende over het volk, dat Hem zou kruisigen ...

 

Veertien dagen geleden was “De Vrouwe Jacoba” van een reis naar Dordrecht teruggekeerd. Toen schipper Ulfersz vlug naar zijn woning liep en zijn huis in ’t zicht kreeg, verwonderde hij zich erover, dat op deze mooie, zonnige voorjaarsdag de luiken meer dan half gesloten waren, terwijl hij wist hoeveel zijn vrouw van zonneschijn hield. Een vreemd gevoel van onrust had hem bekropen en dat gevoel verdreef de blijdschap van het weerzien van zijn vrouw en hun beide jongens.

Al vóór hij het hek van het tuintje, dat zijn woning scheidde van de weg, had geopend, werd hij door een buurvrouw opgewacht, die hem daar staande hield. ‘Wacht even, schipper’, had die oude vrouw gezegd, ‘ga voorzichtig naar binnen, je vrouw is plotseling erg ziek geworden en we moeten de grootste stilte in acht nemen, heeft de dokter gezegd.’

Veertien dagen zijn er sinds de dag van zijn thuiskomst al weer voorbijgegaan. Dat het voor schipper Ulfersz moeilijke dagen geweest zijn, bewijzen zijn bleke wangen, zijn doffe ogen en zijn neerslachtige houding.

Hoe vaak heeft hij in de stilte van de nacht, als zijn vrouw na een hevige koorts in halve bewusteloosheid wegdommelde, de handen gevouwen en voor haar bed geknield, tot God gebeden om het behoud van de moeder van zijn kinderen. Om het behoud van haar, die hij liefheeft met alles wat in hem is. Het gebed heeft hem wel gesterkt en hij voelt zich niet meer zo angstig en zo eenzaam, maar ... de zieke gaat zienderogen achter­uit. De schipper ziet maar al te goed, dat haar verzwakkend lichaam niet lang meer weerstand zal kunnen bieden aan de telkens heviger wordende koortsaanvallen.

Slechts nu en dan is haar geest een ogenblik helder en dan spreekt ze haar man woorden van troost en bemoediging toe. Maar een ogenblik later begint het ijlen opnieuw. Hoe vreselijk traag kruipen voor de wakende man de uren voorbij. Slaap heeft hij niet, daarvoor is zijn hart te vol van zorg en onrust.

Een poos geleden had de schipper nog in zijn Bijbel gelezen bij het flauwe schijnsel van de vetkaars, maar zijn ogen werden vermoeid en hij had het boek weer weggeborgen in de kast. Nu zit hij verzonken in sombere gedachten en ziet nergens licht.

Flauw dringt het geluid van het kabbelende Scheldewater hem in de oren. Zijn huis staat niet ver van de haven. Hij mompelt: ‘De vloed is in het water. Zullen er straks nog Geuzenschepen binnenvaren?’

Als een film gaan de gebeurtenissen van de laatste weken aan zijn geest voorbij. Alles wat zich afspeelde, terwijl hij aan ’t ziekbed van zijn vrouw zat.

Hij was erbij aanwezig toen op Paasdag de stadhouder van Walcheren, de heer van Kapelle, in een toespraak op de trappen van het stadhuis het volk tot gehoorzaamheid aan de Koning van Spanje, de wet­tige heer van het land, probeerde te bewegen. Zijn woorden waren echter vruchteloos geweest. De burgers, die ’s morgens de Spaanse foeriers[1] de stad hadden uitgejaagd en de schepen van de Spaanse vloot op de Schelde zagen dobberen, kozen partij voor Oranje en keerden zich tegen de gehate Spanjool, die hun brandstapel en schavot bracht.

Wél was de tijd zwaar en bang. Schipper Ulfersz denkt weer na over de woorden van zijn zwager, die hij op zijn laatste reis met “De Vrouwe Jacoba” in Dordrecht had bezocht.

De Dordtse poorter had hem de forse hand op de schouder gelegd en ernstig gezegd: ‘’t Zal gaan spoken in de Zeeuwse landen, Barend, vooral op Walcheren. Vlissingen in de eerste plaats is belangrijk in het oog van de hertog van Alva. Van daaruit kan hij Antwerpen buigen naar zijn wil. Zou het niet verstandig zijn Koosje met de kinderen bij ons hier in Dordrecht te brengen? Dan kunnen we tenminste met een geruster hart afwachten hoe de zaken zich in Zeeland afwikkelen.’

De schipper had wel oren naar dit voorstel gehad. ‘Maar Koosje zal ’t niet gemakkelijk doen, Arnoud’, had hij geantwoord, ‘ze heeft haar huis en hof lief, maar ik zal zien hoe ’t bij mijn thuiskomst is. Als het nodig is, breng ik mijn vrouw en kinderen met mijn schuit zo gauw mogelijk binnen Dordrechts wallen.’

Vrouw Ulfersz hoefde echter niet meer te vluchten voor Spanjaard of Geus. Tegen de laatste vijand van al wat leeft, heeft vlucht of verweer geen zin. Met een diepe zucht buigt de schipper het hoofd nog dieper op de borst. Een flauw gerucht in de bedstede doet hem opstaan van zijn stoel en voorzichtig het gordijn opzijschuivend, buigt hij zich over zijn zieke vrouw.

Hij schrikt van de vale doodskleur op haar gezicht, maar haar ingezonken ogen staren hem aan met een blik van helder bewustzijn. ‘Zet de kaars wat dichterbij, Barend, en neem het scherm maar weg. ’t Is hier zo donker’, fluistert ze. Als haar man aan haar wens voldaan heeft, zegt ze: ‘Til mij wat hogerop, Barend, dan kan ik je beter zien.’

 

[1]              Een foerier heeft in het leger de taak om de uitrusting, met name de uniformen, te verdelen en de voorraden te bewaren. Ook de inkwartiering, de huisvesting, van de soldaten kan zijn taak zijn.