Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Deel 23 ~ Eiberslust, W. Schippers

Deel 23 ~ Eiberslust, W. Schippers
Model: 9789461150271
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  
Deel 23 ~ Eiberslust, W. Schippers

Eiberslust

 

Overwin het kwade door het goede, W. Schippers

 

Idze Jorringa heeft een gelukkige jeugd op Eiberslust. Zijn vader leert hem het boerenvak en zijn moeder is een Godvrezende, liefhebbende vrouw. Zijn buurmeisje Margreet Trommers heeft hij lief.

Haar broer, Freek Trommers, echter belaagt Idze voortdurend. Het komt zelfs zo ver dat Freek door een zweepslag het paard, dat zijn vader ment, op hol laat slaan. Dit heeft de dood van de ouders van Idze tot gevolg.

Zijn belofte aan zijn stervende moeder om geen wraak te oefenen tegenover de moorddadige daad van Freek houdt hij gestand en in armoede vertrekt hij naar Amerika.

Het kost Idze daar veel moeite om een nieuw bestaan op te bouwen. Toch lukt het hem veel inkomsten te verwerven dankzij een farmer die hem de leiding op zijn boerderij geeft. Het contact met deze Amerikaanse boer doet hem alle wraakgedachten verliezen. Ook wordt het heimwee naar zijn vaderland en naar Margreet steeds sterker. Idze keert terug naar Eiberslust, maar wat zal hij doen als Margreet intussen in het huwelijk is getreden?

 

Inhoudsopgave

 

1.          ‘Overwin het kwade door het goede’

2.          Op Trommershof

3.          Donkere wolken

4.          Goede voornemens

5.          Gevolgen van de ruzie

6.          Eigen schuld

7.          De jacht

8.          Een ongelukkige tocht

9.          Aan de poort van de eeuwigheid

10.              Het geheim onthuld

11.              Eiberslust publiek verkocht

12.              Een ernstig onderhoud

13.              In den vreemde

14.              Een tocht door de wildernis

15.              Op Denversrest

16.              Terug in het vaderland

17.              Weer geluk op Eiberslust

 

1.  ‘Overwin het kwade door het goede’

 

Het is niet bepaald een grote, maar wel een mooie schilderachtig gelegen bezitting, het oude Eiberslust. En als men de stevige muren, die door weer en wind grauw geworden zijn wat van dichterbij bekijkt, zou men niet zeggen dat zó veel winterstormen er tegenaan zijn gebulderd, en zó veel zonneschijn ze heeft geblakerd.

Evenals de meeste boerenhoeven in de streek ligt ook Eiberslust niet vlak aan de rijweg maar is door een tamelijk brede sloot ervan gescheiden.

Een stenen brug met een zware ijzeren poort geeft toegang tot het erf en achter de poort staan twee eeuwenoude lindebomen die hun machtige kruinen dicht ineengestrengeld hebben.

Het woonhuis met zijn groen geschilderd houtwerk en spits toelopend dak is niet groot, maar de schuur en stallen die daaraan zijn vastgebouwd, zijn zoveel te ruimer. Want hoewel de boer van Eiberslust ook koren en andere veldgewassen verbouwt is zijn voornaamste bron van inkomsten toch de veeteelt.

Het is niet bij toeval dat de boerderij de naam Eiberslust draagt. Achter op de nok van de grote schuur die met riet gedekt is, ligt een ooievaarsnest, dat van ruwe takken gevlochten is. En dat is altijd al zo geweest, zolang men zich kan herinneren.

 

Toen de grootvader van de tegenwoordige boer als jonge man zich hier vestigde, was het een van zijn eerste werkzaamheden om een oud wagenwiel op te zoeken en dat met een paar stevige ijzeren bouten op de nok van de schuur vast te maken.

‘Vrouw’, had Idze Jorringa tegen de jonge boerin ge­zegd, ‘als daar nu van de zomer eibers[1] op nestelen, zullen wij met Gods hulp, geluk en voorspoed beleven. Immers leeft in ons, Friese boeren, nu eenmaal de gedachte dat de ooievaar geluk brengt.’

De boerin had erom gelachen en gezegd dat het een heidense overlevering was. En ernstig had ze erbij gevoegd, dat het geluk van de mens van een hogere wil afhangt dan van het al of niet nestelen van de ooievaar op het dak van huis of schuur.

‘Dat weet ik vrouw’, had Idze geantwoord, ‘daarom heb ik ook gezegd: met Gods hulp.’ Maar toch had boer Jorringa vergenoegd in de handen gewreven toen hij zag dat een jong eiberpaar de eerste takken vlocht door de spaken van het wagenwiel. Hij had achter de schuur langs de slootkant een rij jonge populieren geplant, die later het eibernest enigszins tegen de ruwe noordwesterstormen zou beschutten.

De jaren waren voorbijgegaan. De eibers trokken weg en keerden ieder najaar en elke lente weer terug. In het leven van de bewoners van Eiberslust wisselden vreugde en droefheid elkaar af. Maar aan aardse voorspoed had het Idze Jorringa zeker niet ontbroken. Toen hij op hoge leeftijd stierf, werd Eiberslust het onbelaste eigendom van zijn zoon, de enige van de vier die hem was overgebleven.

Deze zoon bereikte niet zo’n hoge leeftijd als Idze. Toen de vader van Jauk Jorringa, de tegenwoordige bewoner, achter de oude dorpskerk zijn laatste rustplaats vond, droeg Jauk juist de soldatenrok. Het was namelijk nog niet zo heel lang geleden dat Napoleon ook hier de dienstplicht had ingevoerd.

Evenals zijn grootvader en vader is ook Jauk Jorringa een algemeen geacht man in de omtrek. Als hij het gewild had was hij allang lid van de gemeenteraad in het dorp geweest, maar Jorringa was wat gesloten van natuur en achtte zich voor die dingen niet geschikt. Hoewel Hollander van geboorte was hij in zijn hart nog een echte Fries, evenals zijn voorvaderen. Al was hij van nature een door en door goed man, hij kon in sommige dingen geweldig koppig zijn. Er moest heel wat gebeuren voordat zijn boosheid werd opgewekt. Maar was dit eenmaal het geval, dan kon hij komen tot ondoordachte woorden en soms ook daden, waarover hij dan echter later diep berouw voelde.

 

Zo gebeurde het eens dat Jorringa met zijn zoon Idze, die toen veertien jaar oud was, naar de paardenmarkt te P. was gegaan om een ploegpaard te kopen. Hij nam twee mooie jonge paarden mee waarvan hij verwachtte ze voor een behoorlijke prijs aan de man te kunnen brengen.

De moeder van Idze was echt bezorgd geweest voor haar wilde jongen en wel drie keer had ze tegen haar man gezegd: ‘Jauk, Iet goed op Idze en wees voorzichtig met al die wilde paarden op de drukke markt. Rijd vooral niet te hard; je weet hoe de jongen is.’    

‘Het zal best goed aflopen moeder’, had Jauk geruststellend opgemerkt. En Sietske, de twaalfjarige zus van Idze, meende dat een jongen als Idze best op zichzelf kon passen. Lachend had het ondeugende ding haar broer nog nageroepen dat hij voor haar en kleine Hanna peperkoeken moest meebrengen.

 

 

[1] ooievaars