Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Deel 16 ~ Vaders jongen, W. Schippers

Deel 16 ~ Vaders jongen, W. Schippers
Model: 9789461150141
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  
Deel 16 ~ Vaders jongen, W. Schippers

Vaders jongen, W. Schippers

Varen onder valse vlag

 

Herman van Maarle, de enige zoon van schipper Van Maarle en Ida, wordt wonderlijk gered door Petrus Piet van Peggelen als hij, meegevoerd door ijsschotsen, in open water dreigt te verdrinken. Petrus, die door schipper Van Maarle aan boord was genomen als een verstoten jongen, wordt een trouwe matroos en vriend van de schipper op de Goede Hoop.

Herman gaat studeren in Leiden, maar door verkeerde vrienden verleid, verkwanselt hij in het uitgaansleven het geld van zijn vader. Zijn vader wil hij niet spreken, als deze hem in de studentenstad opzoekt. Om geld te bemachtigen, wordt hij een valsspeler. Eenmaal door een Amerikaanse studiegenoot betrapt, raakt hij aan lager wal in Amsterdam. Als Petrus hem daar vindt, wordt hij als een verloren zoon door zijn vader thuisgehaald. Zijn gezondheid is geknakt, maar vergeving mag hij ontvangen.

 

Inhoudsgave

1.  Een vreemde snuiter komt aan boord

2.  De vrouw van de schipper wacht op haar man

3.  Een vreemde logé

4.  Met gevaar voor zijn leven

5.  Beterschap

6.  Toekomstdromen

7.  Naar het gymnasium

8.  Onder valse vlag

9.  Een aanlokkelijk voorstel

10.               Diep gezonken

11.               Gesprek over de verloren zoon

12.               Verzet tegen de stem van het geweten

13.               Ontmaskerd

14.               Diep gezonken

15.               De verloren zoon gevonden

16.               De erfenis

17.               Het afscheid van Herman

18.               Avondrust

 

1.    Hoofdstuk 1

Een vreemde snuiter komt aan boord

 

De hele namiddag had er een fikse bries gewaaid, maar lang­zamerhand was het stiller geworden. Nu doet slechts een zacht windje het kalme water van de Oude Maas rimpelen.

‘We vorderen niets meer, schipper’, zegt de knecht van een flink gebouwd tjalkschip[1], dat met slappe zeilen de rivier af­vaart, tegen zijn meester. ‘Nee, Kobus, dat doen we ook niet’, is het antwoord. De schipper die op zijn gemak met zijn pijpje tussen de tanden aan het roer staat, kijkt met aandacht naar de wimpel op de top van de mast.

‘Als het nog een uurtje had blijven waaien, zoals vanmiddag, dan waren we al thuis geweest’, vervolgt de schipper, ‘maar nu zal het maar ’t beste zijn, voor anker te gaan en te wachten tot het eb wordt. Dat kan maar een paar uur schelen.’ ‘Het is jammer’, meent Kobus, ‘zo dicht bij huis en dan nog zo lang wachten, maar er zit niets anders op.’

Kobus is een flinke gast van nog geen twintig jaar. In een oogwenk heeft hij het zware zeil gestreken, en nu verbreekt het geratel van het vallende anker en het klikklak van de pal op de palschijf van de lier[2], de vredige stilte van de zomeravond. ‘Ik zou maar een bakje koffie zetten, Kobus’, zegt de schip­per, ‘en als je daarmee klaar bent, dan gaan we op ons gemak een pijp roken.’

Schipper Willem van Maarle is een krachtig gebouwd man van ongeveer vijfenveertig jaar oud. Op zijn door weer en wind gebruind gezicht is zijn leeftijd echter niet gemakkelijk af te lezen, want ondanks de zware blonde baard, die het onderste gedeelte van zijn gezicht bedekt, lijkt hij jonger dan hij is. Dit komt waarschijnlijk door de heldere, blauwe ogen en de vriendelijke, goedhartige trek om zijn mond, die iedereen met wie deze man in aanraking komt, voor hem inneemt.

En zoals zijn uiterlijk aanduidt, is ook het karakter van de schipper. Zowel voor de sjouwer, die de lading van zijn schip helpt lossen, als voor de schatrijke patroon, in wiens pak­huis die lading wordt opgeborgen, is schipper Willem van Maarle dezelfde: vriendelijk en goedhartig.

Zijn knechts die bij hem gevaren hebben, en onder wie kna­pen geweest zijn met wie de omgang beslist niet gemakkelijk was, konden het met schipper Van Maarle allemaal goed vinden. Men bleef bij hem, totdat de omstandigheden hen ertoe noodzaakten om een andere weg te kiezen.

Maar zo toegeeflijk, tot zwakheid toe voor een ander, zo streng en nauwgezet is hij voor zichzelf. Want in zijn eenvoudig, eerlijk hart huist een godsvrucht, die bij schipper Van Maarle zijn invloed doet gelden op al zijn daden, ook op de eenvoudige dingen van het dagelijks leven.

Hoe vaak hebben zijn collega’s, schippers zoals hij, hem niet uitgelachen om wat zij noemen zijn overdreven eerlijkheid, maar Van Maarle laat ze lachen en gaat recht door zee, ook al heeft hij er voor het ogenblik schijnbaar schade van.

Als het enigszins kan, zorgt hij ervoor om op zondag thuis te zijn, bij zijn vrouw en enig kind. Maar zijn er omstandig­heden die hem dat verhinderen, dan zoekt hij met zijn vaartuig de haven op, die het dichtst bij is. Kan dat óók niet, dan zoekt hij een plekje achter een griend of dijk om er te kunnen ankeren, want varen op de dag des Heeren doet hij niet.

Schipper is hij in merg en been. Trouwens, zover hij kan terug­denken, hebben bijna alle mannelijke leden van zijn familie dat beroep uitgeoefend. Zowel op de Zeeuwse stromen als op de boven­- en benedenrivieren is Willem van Maarle bekend met het vaar­water, zoals er niet veel schippers zijn.

Of dit de reden is, dat de Goede Hoop (zo heet zijn tjalk) altijd vracht heeft? ’t Kan zijn, maar schipper Van Maarle schrijft dat niet aan zichzelf toe. Dankbaar erkent hij daarin de zegen van Boven.

Behalve zijn vaartuig, dat zijn onbelast* eigendom is, bezit hij nog een nette woning aan de wal, in het mooie dorp B.** op de linker Maasoever. (voetnoot*vrij van lasten. Geheel door hem betaald.  **Barendrecht) Nu is de Goede Hoop van een reis naar een havenstad in Noord-Holland teruggekeerd. De schipper, die gerekend had uiterlijk zaterdagavond thuis te kunnen zijn, is echt in zijn nopjes, dat hij nu op vrijdagavond – al wordt het dan ook wat laat – binnen kan zijn.

De zomeravond is wonderschoon en vooral hier op dit plekje, waar de tjalk voor anker ligt, valt dit op. Aan beide kanten van de rivier zijn de oevers met griendgewas begroeid, waarboven in de verte slechts hoog geboomte en de slanke torenspits van een oud dorpskerkje zich verheffen.

Een lichte nevel trekt langzaam over het heldere watervlak van de Oude Maas. Uit de griend klinkt het eentonige en toch zo melodieuze geroep van een watervogel, terwijl in het hoge riet dat vlak langs het water groeit, de schuwe karekiet zijn stem laat horen.

De schipper en zijn knecht genieten van de stille avondvrede en de rookwolkjes van hun tabakspijpen kronkelen langzaam naar boven.

Zo nu en dan vaart een sleepboot voorbij met een zwaar be­laden tjalk of lichter[3] achter zich. Naar de gewoonte van de schippers houdt de man aan het roer tijdens het voorbijvaren een praatje met de schipper van het voor anker liggend vaartuig.

‘Die daar om de hoek aankomt, kan ook wel voor anker gaan, schipper’, merkt Kobus op, en wijst met de steel van zijn pijp naar een oud aakscheepje, waarvan het zeil gelapt met stukken van verschillende kleur gerepareerd zeil slap en onbeweeglijk langs de mast hangt.

Het vaartuig dat Kobus bedoelt, ligt aan de overzijde van de rivier, die hier tamelijk breed is. Maar zelfs op deze afstand kan men duidelijk de ruziënde stemmen horen, die in de stilte van de avond ver over het water klinken.

‘Dat gaat daar niet goed aan boord, schipper’, zegt Kobus weer, ‘ze hebben lelijk ruzie.’

De heldere blauwe ogen van schipper Van Maarle turen een ogenblik scherp over het watervlak. Dan zegt hij: ‘Als ik me niet vergis, is het de schuit van Dirk Bul, en hoort hij te Brouwershaven thuis. ’t Is een ruwe kerel, die schipper, ik ken hem wel. Aan de wal doet hij niet veel anders dan drinken en kaart­spelen in de herbergen. Bijna elke reis heeft hij een andere knecht. Dat zijn dus de beste jongens niet, dat begrijp je wel, Kobus.’

‘Het is toch erg, zoals ze daar tekeergaan’, merkt Kobus op. ‘Hoor je wel, schipper, dat er ook een vrouwenstem tussendoor schreeuwt? Als ik me niet vergis, zie ik kinderen over de luiken lopen ook en …’

Kobus zwijgt en kijkt zijn schipper met verwonderde ogen aan. Ook de schipper neemt de pijp uit de mond en gaat over­eind staan om beter te kunnen zien, want er gebeuren vreemde dingen op het aakscheepje[4] van Dirk Bul.

Door de schorre, bulderende stem van de schipper en het krijsende geluid van de vrouw heen klinkt plotseling een hel­dere, schaterende jongenslach. Daar zien de beide mannen op de Goede Hoop, dat schipper Bul de helmstok[5] van het roer loslaat en over de luiken naar voren stormt met hoog opgehe­ven vuist.

Wat nu volgt, kan men op de tjalk door de betrekkelijk verre afstand en door de lichte nevel die over de rivier hangt, niet goed waarnemen. Wel zien ze duidelijk mensen door elkaar lopen in het naar hen toegekeerde gangboord. Daarna valt een lichaam overboord, zodat de mannen op de Goede Hoop de plons horen en het water wild zien opspatten.

‘O wee!’ schreeuwt Kobus, ‘daar gooit Dirk Bul zijn knecht of zijn vrouw overboord!’ Schipper Van Maarle vliegt al naar zijn roeiboot.

‘Los, Kobus!’ klinkt zijn kort bevel, en geen minuut later scheert de roeiboot van de Goede Hoop over het water in de richting van het aakscheepje, waar het geruzie van daarstraks vervangen is door een diepe stilte.

Nog geen twintig meter is schipper Van Maarle de rivier op­geroeid, of hij bespeurt al een zwemmer, die met vlugge, regelmatige slagen, maar volkomen op zijn gemak de brede stroom dwars oversteekt, daarbij rekening houdend met de geringe vloed die nog in het water is.

 

[1] De tjalk is lang, smal en ondiep van bouw, als een afgeronde doos. Verder heeft hij een volle ronde boeg en ronde kimmen. Op een paar uitzonderingen na hadden tjalken één mast. Ze voerden een gaffeltuig en waren voorzien van zijzwaarden. Tjalken werden aanvankelijk van hout gebouwd, later van ijzer en nog later van staal.

 

[2] Met een lier worden de trossen bediend voor het afmeren van een schip aan de kade of het verplaatsen van het schip langs de kaden.

[3] Vaartuig dat voor andere schepen het vaarwater moet verkennen.

[4] Vaartuig met platte bodem en brede boeg.

[5] Hefboom aan het roer, die door de kop van het roer gestoken is.