Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Deel 08 ~ Het Geuzenjong, W. Schippers

Deel 08 ~ Het Geuzenjong, W. Schippers
Model: 9789076466866
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  
Deel 08 ~ Het Geuzenjong, W. Schippers

Het Geuzenjong, W. Schippers

Bij de belegering van Leiden wordt Wiek Storreveld door een Spaanse musketkogel dodelijk getroffen. Zijn weduwe Marlien keert met haar zoon Hans terug naar haar geboorteplaats, Raamsdonk. Hans Storreveld wordt echter als geuzenjong in het roomse Raamsdonk uitgescholden en geplaagd.

Alleen Toke Loenertz, de dochter van de schout en rijke boer van Guldenhof, is hem welgezind. Na het overlijden van zijn moeder krijgt hij onderdak bij zijn oom Eldert Jobz, een vrekkige kleermaker. Daar komt een einde aan na een Spaanse overval.

Hans gaat ervandoor. Zal iemand hem nog naastenliefde willen bewijzen?

 

Dit verhaal speelt zich af in de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) en bevat veel historische gegevens over het beleg van Geertruidenberg door Prins Maurits in 1593.

 

 

 

Inhoudsopgave

1.  Weer terug

2.  De oude soldaat

3.  Op Peerkenshoef

4.  Het geuzenjong

5.  Ouderloos

6.  Dat zijn Spanjolen

7.  Bij oom Eldert en tante Koba

8.  De aanranding

9.  Aan de Donge

10.               ‘Martel de boer, dan zweet hij goud’

11.               Wat nu?

12.               Op weg naar Holland

13.               Paardendief

14.               Op Landmanshoop

15. Een gevaarlijke onderneming

16. Zo moest het zijn

17. Toke van Guldenhof

 

1.  Weer terug

 

‘We zullen toch voor het helemaal donker is wel binnen Raamsdonk zijn, voerman?’

De vrouw die deze vraag aan de boer stelde, die vóór haar op de zitbank van zijn huifkar het oude paard bestuurde, was nog betrekkelijk jong, maar ze zag er ouder uit dan ze was. Dat was niet verwonderlijk. Het was immers nog maar een goed halfjaar geleden dat, na een bange strijd tegen de honger en het Spaanse geweld, de stad Leiden was ontzet. De vrouw die met haar tweejarig zoontje in de huifkar zat, had dat hele beleg van begin tot eind meegemaakt.

De voerman antwoordde: ‘Het paard is moe en de weg is slecht. Maar verderop zal het wel beter gaan.’

Een slag met de zweep deed het vermoeide dier even wat sneller voortgaan. De vrouw trok zich huiverend terug, om meer achterin de wagen beschutting te zoeken tegen de gure voorjaarswind. Ze nam het tweejarige kind op haar schoot, dat zich op de bodem van de wagen vermaakte door aan het koord te trekken waarmee haar reis­zak was dichtgesnoerd en sloeg haar bruin­lakense[1] mantel om hem heen. Het kind wilde echter blijven spelen en spartelde heftig tegen. Maar een stevige druk met de arm en een kort: ‘Je moet stil zijn, Hanske’, deed hem zijn weerstand opgeven.

De warmte onder moeders mantel en het schommelen van de wagen maakten hem slaperig en nu staarden de donkere ogen van de vrouw droevig langs de voerman heen naar het eenzame landschap. Overal zag ze bekende plekjes; ze was immers afkomstig uit het dorp waarheen ze op weg was. Tien jaar geleden had ze het verlaten en sindsdien was ze niet meer terug geweest. Haar vader was destijds smid in het dorp en zij was nauwelijks achttien jaar toen Wiek Storreveld als knecht bij haar vader in de smederij kwam. Hij was een Hollander en de oude smid Geurt van Kekeren moest toegeven, dat hij nooit een bekwamer knecht in de smidse had gehad. En toch verwenste hij het ogenblik dat hij de jonge gast had aan­genomen.

De oude baas had twee dochters, Koba en Marlien, van wie de laatstgenoemde, de jongste, de jonge Hollandse knecht lief kreeg. Zodra dit bekend werd, verzette vader zich met alle macht tegen deze verhouding. Wiek Storreveld was namelijk een volgeling van Maarten Luther en de Van Kekerens waren rooms. Dat was een afdoende reden waarom de oude baas de omgang van zijn dochter met de Hollander tegenging.

‘Breek met die nieuwe leer, Wiek; dan wordt Marlien je vrouw en jij blijft bij mij in de smederij’, had Van Kekeren tegen de jonge Storreveld gezegd. Maar Wiek stond vast in het geloof, waarvoor hij later zijn bloed zou offeren.

De oude smid had echter niet kunnen verhinderen, dat zijn dochter de Hollander volgde naar zijn geboortestad en daar met hem in het huwelijk trad. Storreveld vestigde zich als smid in Leiden, waar hij als meester in het gilde[2] werd opgenomen. Al snel kwamen zij tot een zekere welstand, ondanks de onrustige tijden.

De jaren gingen voorbij. De oude smid stierf en Marliens zus Koba trouwde met een kleermaker, Eldert Jobz. Marlien had gelachen toen een Brabantse schipper, die haar familie kende, haar dit nieuws meedeelde. Eldert Jobz was zeker vijftien jaar ouder dan haar zus; hij ging in het dorp door voor een man die er nogal warmpjes bijzat.

Een gelukkig huwelijksleven had Marlien met Wiek Storre­veld geleid. Ook zij was tot de nieuwe leer overgegaan. Het verdriet was hun niet bespaard gebleven. De eerste twee kinde­ren stierven kort na de geboorte, maar de komst van een derde kind bracht weer licht en vreugde in hun woning.

Op een andere manier werd dat geluk echter verstoord. Het oorlogsgeweld naderde de Leidense muren en de Spanjaarden omringden de stad. Ook sloten zij alle toevoer van levensmiddelen af. Bij een uitval van burgers en krijgsvolk trok Wiek mee. Angstig en met een bezwaard gemoed liet Marlien hem gaan om zijn plicht te doen. Al meer dan eens had hij haar moed ingesproken door haar te wijzen op Hem, zonder Wiens wil geen haar van ons hoofd gekrenkt wordt en geen musje ter aarde valt.

In zijn onwrikbaar Godsvertrouwen deed Storreveld zijn plicht. Sterk in zijn geloof trotseerde hij de nijpende honger en probeerde met voorbijzien van zichzelf nog iets af te zonderen voor vrouw en kind.

Marlien was bij de laatste uitval nog angstiger geweest dan anders. Ze had zelfs geprobeerd om haar man terug te houden van wat hij als zijn plicht beschouwde.

‘Mijn arm is nog sterk, Marlien’, had hij gezegd, ‘en de meeste burgers kunnen zich bijna niet meer staande houden. Zou ik dan achterblijven als er gevaar dreigt? Vertrouw op God, Marlien, het ontzet nadert.’

Zo was hij uitgetrokken en in de vallende avondschemering brachten de weinige terugkerende burgers het lijk van Wiek Storreveld mee. Een musketkogel had hem in de borst getrof­fen en onmiddellijk gedood. Als in een bange droom waren de laatste maanden voor de jonge weduwe voorbij gevlogen. De vreugde van het ontzet, dat toch ook voor haar en haar kind het einde van honger en gebrek betekende, was aan haar voorbij­gegaan zonder haar te kunnen oprichten uit haar sombere neer­slachtigheid.

Enkele maanden probeerde ze met behulp van een vertrouwde knecht en een paar flinke gezellen[3] de smederij in bedrijf te houden. Het was haar op den duur echter onmogelijk geworden in Leiden te blijven, nu ze de forse hamerslag van haar man niet meer op het aambeeld hoorde klinken.

‘Ik moet weg, dominee’, had ze tegen de predikant gezegd, die haar trouw kwam bezoeken en haar met raad en daad bijstond. ‘Hier, waar alles mij elk uur van de dag aan mijn verloren geluk herinnert, houd ik het niet uit, dat voel ik.’

Toen ze aan de dominee haar voor­nemen te kennen had gegeven om terug te keren naar haar geboorteplaats, had hij het haar afgeraden. Hij had geprobeerd haar de troost te brengen, die de christen brengen kan. Ze had hem zwijgend aangehoord, maar ten slotte te kennen gegeven dat niets, letterlijk niets haar besluit zou kunnen veranderen.

De smederij werd verkocht, evenals het huisraad, terwijl een haar bekende schipper bereid werd gevonden om haar en haar kind mee te nemen naar Brabant. Bij de Moerdijk zette de schipper het tweetal aan land. Daar wist ze een boer te vinden, die haar tegen een behoorlijke beloning naar Raamsdonk wilde brengen.

Was het te verwonderen dat, na alles wat vrouw Storreveld had meegemaakt, haar hart vol was van onrust en droefheid? Ze wist immers van tevoren dat ze door haar zus en zwager niet vriendelijk zou worden ontvangen? En toch trok ondanks dat alles haar hart naar haar geboortegrond.

 

 

[1] Geweven wollen stof.

[2] Vereniging van vakgenoten met speciale voorrechten.

[3] Knechten.