De dominee uit het Achterbuurtje Uit het leven van ds. E. Venema, Trijntje Zegers-Venema

De dominee uit het Achterbuurtje Uit het leven van ds. E. Venema, Trijntje Zegers-Venema
Model: 9789461151759
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 15,95
Excl. BTW: EUR 15,95
Aantal:  

Deel 38. Historische verhalenserie (10,95 als u abonnee bent of wordt op de historische verhalenserie)

De dominee uit het Achterbuurtje

Uit het leven van ds. E. Venema, Trijntje Zegers-Venema

Verschijnt DV 10 oktober

 

Eetze Venema groeit op in één van de armste wijken van Leeuwarden, het Achterbuurtje. Zijn vader is bloemist en moet met een klein loon voor zijn negen kinderen zorgen. Na een ernstige ziekte worstelt Eetze met de vraag of de Heere hem heeft geroepen tot dominee. Inderdaad wordt hij toegelaten op de Theologische Universiteit te Apeldoorn en neemt vervolgens het beroep van de kleine gemeente te Maassluis aan. In Zwijndrecht verbreekt hij samen met de kerkenraad de band met de Christelijke Gereformeerde Kerken. Na enkele jaren gaat dominee Venema met de kerkenraad en de gemeente over naar de Gereformeerde Gemeenten.

Na Zwijndrecht wordt dominee Venema predikant van de gemeentes van Drachten, Middelburg, Elspeet en Scherpenisse. Veel zorgen heeft hij over zijn zoon Geert, die uiteindelijk een zwerversbestaan leidt. Kort voor zijn sterven gaat dominee E. Venema in Barneveld nog eenmaal aan het Heilig Avondmaal. Zijn preken hebben velen geboeid en zijn tot vandaag tot rijke zegen.

 

Dit deel van de Historische serie is heel toegankelijk voor kinderen. Maar ook velen die dominee Venema nog gekend hebben, zullen dit boek graag lezen.

 

1. Waar is Pieter?

Hotsend en botsend rijdt de bus over de ongelijke keien. Maar geen van de kinderen merkt er iets van. Integendeel, ze kijken allemaal hun ogen uit op deze feestelijke dag.

‘Mem[1]’, roepen ze. 'mem!'

De kleine vingertjes wijzen van het één naar het ander. Ze zien uitgestrekte landerijen en de koeien in de wei. Ze juichen om de weinige auto’s die ze nooit eerder gezien hebben. Ze zien de oude kerk en de oude juffrouw, die met haar stokje loopt.

O, alles is voor hen even prachtig als onbekend. Zo ver van huis zijn ze nog nooit geweest. Mem glimlacht. Het is aan haar te zien: ze geniet van haar kroost. Háár kroost. Nog even, dan zijn ze er.

 

Ze ziet in gedachten oom Hendrik al staan voor het kleine raampje van zijn vervallen daglonershutje. Verbaasd en verrast door het voor hem altijd onverwacht bezoek!

Kijk dan, daar, de lange vaarten langs de smalle weggetjes die uiteindelijk naar het doel van hun reis leiden.

Met open mond staren de jongens en de meisjes naar de eendjes in het donkere water. Dan staat de oude bus met een ruk stil.

‘Kom, Froukje, Jan, Eetze, kom, voorzichtig.’

De kinderen drommen om moeder heen. Ze kijken van links naar rechts. En ze kijken nog steeds naar al dat nieuws.

Een oude bakfiets rijdt piepend vlak langs moeders kroost. Een hand wordt opgestoken. De fietser heeft zichtbaar plezier in die babbelende kindertjes. En in het lawaai dat in zijn kleine, afgelegen dorp zelden wordt gehoord.

 

Oom Hendrik zit in de oude leunstoel. Net als elke dag. Tevreden rookt hij zijn pijpje. Zijn gedachten zijn ver weg. Zijn gehoor is niet meer zoals het is geweest, maar het aanzwellend geluid van roepen en lachen haalt hem uit zijn gepeins. De kinderzegen is hem onthouden. Daar weet iedereen van in het dorp. Evenals het moeilijke leven dat achter deze eenzame, oude baas ligt, hun niet onbekend is.

Gordijntjes worden opzijgeschoven. En een heel nieuwsgierige buurvrouw kan het niet laten even in de deurpost te staan en te kijken naar wat er buiten gebeurt. Met een hand voor haar mond oogt ze verbaasd. Want bezoek bij hun oudje … hoelang is dat geleden?

 

‘Och, och, mijn kinders toch,’ prevelt oom. ‘Dat ik dat nog mag beleven.’

Thee komt al snel uit het oude kannetje. En er zijn veel te zachte koekjes in het kleine, ronde trommeltje.

‘Willen jullie ook een snoepje van oom?’ vraagt oom, terwijl plakkerige babbelaars tevoorschijn worden getoverd.

‘En mogen we dan nu even naar buiten, mem?’

En weg zijn ze. Want buiten wacht de wijde wereld. Die wereld kennen ze niet. Moeder geniet zo van het middagje samen met oom. Denkt ze nog wel één moment aan de kindjes die buiten spelen nu ze samen de oude verhalen van vroeger ophalen? Vergeet ze even over haar grote schat te waken? Is ze even de zorgen van elke dag vergeten?

 

Maar dan wordt het toch heus tijd om terug te gaan.

‘Kom’, schrikt moeder, ‘we gaan weer met de bus. Kom, jongens. Trien, Siebren, Pieter.’

Weg is de stilte van de middag. Moe van het rennen en spelen drommen de kleintjes binnen.

‘O, mem!’

 

[1] moeder