Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Heiltje Maria, Afscheiding in Hattem, AC Drost-Brouwer

Heiltje Maria, Afscheiding in Hattem, AC Drost-Brouwer
Model: 9789076466606
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 18,95
Excl. BTW: EUR 18,95
Aantal:  

 

Heiltje Maria

Historische roman over de Afscheiding

Als ds. Brummelkamp uit de Ned. Herv. Kerk wordt uitgezet, vindt ook in Hattem de Afscheiding plaats. Hierbij raakt Heiltje Maria nauw betrokken...

Iemand komt zelfs in de gevangenis terecht, omdat hij de plaats innam van een gehuurde bank.

Pagina's: 232

 

Woord vooraf

Toen de uitgever mij verzocht iets te schrijven over de tijd waarin de Afscheiding plaatsvond, dacht ik onmiddellijk aan Hattem, het stadje waar ik ben opgegroeid. Daar heeft immers de Afscheiding diepe sporen nagelaten. Wij werden als kinderen nog uitgeschol­den voor ‘Cocksianen’.

Nu is het schrijven over het leven en de gebeurtenissen van zo’n 150 jaar geleden bijzonder moeilijk. Het zou zelfs onmogelijk zijn wanneer er geen bronnen beschikbaar waren. Mijn speciale dank gaat uit naar de heer A. Gerrits, archivaris der Nederlandse Hervormde kerk te Hattem, wiens boek: ‘Brummelkamp en de Afscheiding te Hattem’ (waarin originele stukken uit het archief der Hervorm­de Gemeente van Hattem gepubliceerd zijn) voor mij van onschat­bare waarde was. Ook gaat mijn dank uit naar de heer L. Hoogers, schrijver van het boek: ‘Kladdegat, wat doe je nou’. De heer Hoogers heeft mij op veel vragen betreffende het Hattem van vroeger antwoord gegeven. Andere bronnen waren: ‘Levensbe­schrijving van wijlen Prof. A. Brummelkamp’ door A. Brummel­kamp, ‘Hattemia’ door Dr. M. Sypkens Smit en ‘Hattem historisch gezien’, een uitgave van Heemkunde Hattem.

De beschreven kerkelijke gebeurtenissen zijn historisch, veel bij­figuren worden onder hun werkelijke naam beschreven, terwijl het leven van de hoofdpersonen louter fantasie is. Zo heb ik gepro­beerd een verhaal te schrijven waarin fantasie en werkelijkheid elkaar geen geweld aandoen.

 

De schrijfster

 

Hoofdstuk 1

 

Kwam Geertje nu maar. Huiverend trekt Maria haar wollen omslagdoek wat dichter om zich heen. Brr, wat is het koud. En het is zo donker, ze kan bijna geen hand voor ogen zien. Hoor de wind eens over de uiterwaarden bulderen. Er zullen wel schuimkoppen op de IJssel zijn.

Waar blijft haar zus nu toch? Ze staat hier vast al wel een half uur te wachten. ‘Vijf minuten’, heeft Geertje gezegd. ‘t Mocht wat. Ze gaat nooit weer met haar mee, voor geen geld. Eigenlijk zou ze nu best naar huis kunnen gaan, maar dat durft ze toch niet goed. Stel je voor, dat lange eind alleen langs de dijk te lopen. Wat zouden vader en moeder wel zeggen als zij alleen thuiskwam? Als vader en moeder eens wisten dat zij hier in het donker staat en dat Geertje met Harmen meegegaan is, dan zou er wat zwaaien.

‘Je wordt een jongensgek’, heeft moeder pas nog tegen Geertje gezegd. ‘Je fladdert van de ene jongen naar de an­dere. Dat moet afgelopen zijn. Je wacht tot je een nette, oppassende jongen krijgt. Dan mag je met hem thuisko­men.’

Maar Geertje wil nog helemaal geen vaste verkering. ‘Er zijn zoveel leuke jongens’, heeft ze na moeders vermanende toespraak tegen Maria gezegd. ‘En die oppassende jongens die moeder bedoelt zijn zo saai. Daar kun je nooit zo mee lachen.’

Waar zou Geertje nu toch zijn? Misschien zit ze wel met Harmen ergens in een schuur.

Maria kleurt bij de gedachte. Eigenlijk is zij het tegengestel­de van haar zus, want ze is een beetje bang voor jongens. Niet voor alle jongens natuurlijk. Haar broer Jacob bij voorbeeld, daar kan ze goed mee opschieten. Maar de meeste jongens doen altijd zo wild en ruw. Ze gaat hen het liefst uit de weg.

Wat is het toch koud. Gelukkig dat het niet meer regent. Scheen de maan nu maar, dan kon ze in elk geval wat zien. De wind jaagt door de kale knotwilgen die in ‘t gelid langs de sloot staan. Hij valt neer over de dijk en giert door het hakhout. Er klinken overal geluiden. Net kreunende men­senstemmen.

Volgens Jochem hebben op avonden als deze, de boze gees­ten vrij spel. Ze loeren dan op eenzame wandelaars om hen mee te nemen naar een onbekend gebied, waar hun zielen eeuwig aan de geesten onderworpen zullen zijn.

Stel je voor dat zo’n geest in mensengedaante hier bij haar kwam. Wat zou ze dan doen?

Foei, aan zulke dingen moet ze niet denken. Daar wordt ze alleen maar banger van. Zij is toch een gelovig meisje dat ‘s zondags trouw naar de kerk gaat? Aan zulke gekke dingen mág ze niet eens denken. En het pad aan de voet van de dijk ziet er ‘s avonds toch net zo uit als overdag!

 

Het lijkt wel of het steeds harder gaat waaien. Voelt ze al weer regendruppels?

Maria loopt een eindje in de richting van het stadje dat daar in het donker ergens voor haar ligt. Opeens staat ze weer stil. Beweegt daar iets in het duister? Ach welnee, verbeel­ding natuurlijk. ‘t Zal de wind zijn. Strak staart ze in het donker. Als ze lang op dezelfde plek staat zuigen haar klom­pen zich vast in de modder. Ze verzet haar voeten weer.

Dan duikt plotseling een gestalte uit het donker op. Blij doet Maria een stap naar voren. ‘Geertje!’ Haar stem klinkt boven de wind uit. De gestalte staat even stil, doet vervol­gens een paar snelle passen in Maria’s richting.

‘Wie is daar?’ vraagt een mannenstem.

Maria schrikt. Dat is Geertje niet, dat is een vreemde. ‘Ik ben het, Maria van bakker Van Ommen.’

De vreemde man staat nu vlak bij haar. Maria kan niet zien wie het is, want hij heeft de kraag van zijn jas hoog op en de klep van zijn pet diep over de ogen getrokken. Onwille­keurig doet ze een stap terug. Liep die man maar door. Blijkbaar is hij dit nog niet van plan.

‘Zo zo’, zijn stem klinkt flemend lief. ‘De kleine Maria staat hier op haar vrijer te wachten? Weet je moeder wel dat je hier bent?’

‘Nee.’ Pas wanneer ze het gezegd heeft weet Maria dat dit het domste antwoord is dat ze kon geven. ‘Ik bedoel ja’, hakkelt ze er achteraan.

Er klinkt een hinnikend lachje. ‘Natuurlijk. Je moeder stuurt je ‘s avonds alleen de poort uit. Weet je niet hoe gevaarlijk dat is, liefje? Goed dat ik hier langs kom, ik zal je wel beschermen. Kom maar.’

Maria deinst terug, maar de vreemde grijpt haar met een snelle beweging bij een arm. ‘Kom maar bij mij’, zegt hij nog eens.

Maria wil zich losrukken. Ze is bang voor deze man. Hij bedoelt vast iets anders dan hij zegt.

‘Nee, ik wacht op iemand.’ Haar stem beeft.

Weer klinkt het paardenlachje. ‘Je vrijer laat je lang wachten, liefje. Hij heeft vast al een ander. Kom, ik neem zijn plaats wel in.’ Onverhoeds grijpt hij ook haar andere arm.

‘Nee!’

De angstige kreet van Maria snerpt door de avond. Ze wil wegrennen, maar het is of al het gevoel uit haar benen is verdwenen. Ze staat als verlamd van schrik.

De man buigt zich naar haar over, Maria ruikt zijn zure adem. Het is of ze hierdoor de macht over haar ledematen terugkrijgt. Wild bonkt haar hart. Ze rukt, ze worstelt om los te komen. Het enige wat ze bereikt is dat de man haar helemaal tegen zich aandrukt. Ze voelt de ruwe stof van zijn jas tegen haar gezicht. Wat wil hij nu? Hij zal toch niet... Er wordt iets tegen haar wangen gedrukt, tegen haar mond. Iets nats wordt tegen haar lippen geperst.

Maria wordt misselijk van angst. Ze worstelt, ze schopt met haar klompen waar ze hem maar raken kan. Er klinkt een gesmoorde vloek. Even verslapt de greep van zijn handen. Ogenblikkelijk is Maria vrij. Ze rent weg, het pad op in de richting waar Hattem ligt.

Achter haar klinkt een honende lach. ‘Heilige Maria, ik zal...’ Meer kan ze niet verstaan, ze luistert ook niet goed. In het donker vliegt ze langs de dijk, dwars door de plassen. De modder spat tegen haar rokken op. Maria denkt er niet aan hoe ze er straks uit zal zien. Weg moet ze, weg van dat verschrikkelijke.

Dan doemt er plotseling uit het duister vóór haar weer een gestalte op. Maria kan hem niet ontwijken, in volle vaart rent ze tegen hem aan. De gestalte wankelt, grijpt haar vast. ‘Ho, wat betekent dat?’ Maria hoort niet eens wat er gezegd wordt, ze is wild van angst. Heeft hij haar ingehaald? Zal hij nu opnieuw?

Ze geeft een gil, rukt zich los. Waar moet ze heen? Overal schijnt haar belager te zijn.

Dan ziet ze, een eindje van de dijk af, een licht. Daar moeten mensen wonen. Nu ziet ze ook dat hier een soort zijpad is. Zonder zich te bedenken vliegt ze het pad in. Maar het is zo donker, ze kan niet goed zien waar ze loopt. Halverwege het pad struikelt ze. Ze valt languit in de modder. Wanneer ze haastig overeind krabbelt is ze haar ene klomp kwijt. Moet ze die zoeken? Een klomp zoeken, terwijl haar leven bedreigd wordt? Maria denkt er niet aan. Ze rent verder op één klomp en een kousenvoet.

Daar is de donkere omtrek van een boerderij. Er schijnt licht door de hartvormige opening van een luik voor één der ramen. Maria stormt naar de zijkant van het huis, daar zal toch ergens een deur zijn.

‘Volluk, volluk!’ roept ze.

Daar is een deur. Haar handen bonzen op het hout. Binnen wordt geantwoord door het woedende geblaf van een hond. Sluipt daar iemand achter haar in de dreef? Harder roffelen Maria’s handen. ‘Help, volluk, help’, gilt ze het uit.

Er klinkt gestommel binnen. Het blaffen wordt heviger. Een grendel knarst, de deur wordt op een kier geopend.

‘Help, help me’, is alles wat Maria uit kan brengen.

De deur gaat verder open. In het schemerige licht van een lantaarn ziet Maria een jonge vrouw die met één hand een zwart monster in bedwang probeert te houden. Maria is bang voor honden, maar nu lijkt dat woedende dier voor haar een bescherming tegen het gevaar achter haar.

‘Mag ik binnen... binnenkomen?’ vraagt ze bang.