Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Deel 46. Op de keien, W. Schippers

Deel 46. Op de keien, W. Schippers
Model: 9789461150714
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  

 

Op de keien

W. Schippers

Tevredenheid is een groot goed

 

​verschijningsdatum: eind januari

 

Flaptekst

Op de grote machinefabriek Schieler & Van Trom werken Albert en Johan Wulmer. Als vuurwerker heeft Johan daar een zwaar beroep, dat hij echter door zijn grote kracht met gemakkelijkheid uitvoert.

Met Trui Schaffel, de dochter van de magazijnmeester, krijgt hij verkering. Omdat hij zich aangetrokken voelt tot de ‘rooien’ weigert haar vader toestemming te geven voor een huwelijk. Teleurgesteld gaat Johan - de Eerste Wereldoorlog is intussen aangebroken - voor drie jaar onder de wapenen.

Na de oorlog ontstaat er grote arbeidsonrust die uitloopt op een grote staking bij de metaalbedrijven. Wanneer Johan na de staking ‘op de keien’ blijft staan, dat wil zeggen werkloos wordt, besluit hij als stoker op een zeeschip aan te monsteren. Trui bidt voor hem, terwijl ze waakt bij haar stervende vader.

 

 

CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG

 

W. Schippers

 

Op de keien / W. Schippers, eindredactie M.J. Ruissen

- Goes: De Ramshoorn -

ISBN 9789461150714

NUR 337

Trefw.: standsverschil, metaalfabriek, staking, crisisjaren

 

Drukken:

1e druk: 1922 bij uitgeverij Voorhoeve te Den Haag. Uitgegeven onder pseudoniem ‘Labor’.

Latere drukken bij Groen te Leiden.

 

Illustraties:

Omslag- en binnenwerkillustraties: Rino Visser, Goes

© 2016    Uitgeverij De Ramshoorn

Putwei 6 - 4464 BT Goes - tel. 0113-230340

fax. 0113-218691 - [email protected] - www.ramshoorn.nl

 

Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd, opgeslagen in een computerbestand of openbaar gemaakt, in enige vorm of op welke wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

 

Inhoudsopgave

1. De fabriek

2. Heer en knecht

3. De oude en de nieuwe geest

4. Nieuwe heren, nieuwe wetten

5. Uiteenlopende gedachten

6. Een moeilijke gang

7. ‘Sluit aan!’

8. Politieke onrust

9. Een vrij en blij leven

10. Verschil van mening

11. Dreigende wolken

12. Voor en tegen

13. Staking

14. De gevolgen

15. Scheiding

16. Een rumoerige vergadering

17. Een verijdelde aanslag

18. Afscheid

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1. Op de fabriek

 

Donker is de avond en ruw waait de herfstwind, zodat het hoog gerezen water van de rivier klotst tegen de oever en een paar grote zeeboten, die vlak voor de wal liggen, de indruk geven, alsof ze op de kant zitten in plaats van ervóór.

De hele week, dag in dag uit en vaak ook ’s nachts, dreunt hier het geluid van de arbeid, want op deze hoogte van de rivier ligt de grote machinefabriek van de firma Schieler & Van Trom. Nu is het een machtig bedrijf, waar hon­derden werklui hun brood verdienen. Maar er zijn er nog onder het oudste werkvolk, die weten te vertellen over de tijd dat de hele fabriek bestond uit een enkele houten loods met een stuk of zes smidsvuren, een paar draaibanken, een boor­stelling, een slijpsteen en wat bankschroeven.

 

Het waren twee jonge, krachtdadige mannen geweest, die destijds hier op deze plek hun loods hadden laten bouwen.

Schieler was de man, die in de werkplaats de leiding had, terwijl Van Trom de boekhouding bijhield en de klanten bezocht. Met tien man, waaronder een paar jongens, waren de firmanten[1] hun zaak begonnen, maar een van die mannen telde wel voor drie. Louw Wulmer was afkomstig van het platteland en eigenlijk een boerensmid, maar hij was naar de stad getrokken, omdat hij iets meer van zijn vak wilde leren dan enkel het boerenwerk. Een jonge reus was Louw, een werkman, die voor niks terugdeinsde en met ijver en werklust alles aanpakte, wat zich voordeed.

De jaren vlogen voorbij en de tijd leerde dat de plaats, die door de heren Schieler & Van Trom was uitgekozen om hun zaak te vestigen, buitengewoon geschikt was voor uitbreiding. Steeds meer terrein werd bijgekocht, steeds grotere gebouwen verrezen. De oude houten loods is allang verdwenen en van de acht of tien werkmannen waarmee men was begonnen, zijn er na veertig jaar nog drie of vier van over.

Met het repareren van kleine sleepbootjes en allerlei licht werk had men in het begin wat naam gemaakt en nu is er bijna geen werk op het gebied van machinebouw of de firma Schieler & Van Trom durft het aan. En niet alleen machine­bouw, ook geweldige werken op het gebied van ijzerconstructie maakt men er klaar.

De bazen zijn in de loop van de jaren rijk geworden, maar rust hadden ze niet gekend, geen van beiden. ‘Ouwe Schiel’, zoals het volk hem noemt, doet bijna dagelijks zijn ronde door al de verschillende werk­plaatsen en er is niet veel wat aan zijn aandacht ontsnapt.

Denk eraan!’ roept het jonge volk elkaar toe, als Ouwe Schiel in de buurt komt. En deze uitroep bewijst dat men weet dat de oude heer evengoed als de baas of de werkmeester op de hoogte is van wat tot hun vak en hun plicht behoort. Toch is de heer Schieler bij het volk beliefd; vooral de ouderen achten hem hoog. Ze weten uit ervaring dat hij met hen meeleeft. Voor iedereen is hij bereikbaar en heeft men een klacht, dan kan men daarmee gerust bij de ‘Ouwe Schiel’ aankomen.

Zijn werkbazen had de heer Schieler altijd zelf gekozen en zijn keus was meestal goed. Soms waren het mannen, die hij van jaren geleden kende. Soms ook waren het jonge vreemdelingen, van wie hij had opgemerkt dat ze meer dan gewone bekwaam­heden bezaten. De heer Schieler ging terecht van het standpunt uit dat, als een werkman moeilijkheden bij zijn werk tegenkwam, waar hij geen raad mee wist, zijn baas hem daarbij moest kunnen helpen.

Slechts op die wijze kon de verstandhouding tussen de vaklui en hun baas goed zijn. Bovendien moest de baas ten volle in staat zijn om de orde te handhaven onder het vaak zo drukke, jonge fabrieksvolk, desnoods door streng optreden, als het anders niet lukte.

Als Louw Wulmer die tweede eigenschap bezeten had, was hij ongetwijfeld al wel dertig jaar geleden baas geworden. Maar helaas, die eigenschap bezat hij niet; hij was veel te goedig. Daarom deugde Wulmer niet als baas, dat wist de heer Schieler zeer goed. Bovendien wilde Louw het niet zijn. Louw werkte liever, altijd maar doorwerken, twaalf, dertien of veertien uur per dag. Talrijk waren ook de nachten, die voor hem voorbijgingen met harde, ingespannen arbeid!

Als zijn kameraden ’s avonds om zeven uur naar huis gingen, was er voor Louw Wulmer altijd nog werk: slappe drijfriemen inkorten, riemschijven verplaatsen of door nieuwe vervangen, drooggelopen lagers nakijken. Kortom, er was bijna altijd wat te doen.

 

Zo waren de jaren gekomen en gegaan en de fabriek van Schieler & Van Trom bloeide, werd steeds groter en de beide firmanten, die er de ziel en de stuwkracht van waren, bleven de arbeid trouw, die ze eenmaal waren begonnen.

De heren Schieler en Van Trom hoorden nu eenmaal bij elkaar en vulden elkaar aan. De eerste was de technische, wiskundige denker, de andere de welbespraakte, gladde handels­man. Ze bleven dan ook bij elkaar, totdat de dood tussenbeide kwam en de heer Van Trom in zijn onverbiddelijke greep meevoerde.

Dat is nu een jaar geleden en in het laatste jaar is de ‘Ouwe Schiel’ wel tien jaar ouder geworden, oordeelt men in de fabriek.

Blijf toch thuis, vader, u had al tien jaar geleden rust moeten nemen’, hadden zijn huisgenoten ontelbare keren tegen hem gezegd, maar de oude heer schudde dan beslist het hoofd.

Ik doe het niet, ik zou me thuis maar vervelen, misschien ziek worden ...’ Ook in de woning van Wulmer hoort men: ‘Blijf toch thuis, vader, je kunt bijna niet meer en het is toch niet nodig ook. Je hebt zo lang voor ons gewerkt, laten wij het nu eens voor u doen.’

Zo had Johan, de jongste van de beide zoons van Louw Wulmer gesproken, en zijn oudere broer Albert was het volkomen met hem eens geweest. Vader had lang genoeg gezwoegd. Ze kunnen het nu samen best klaarspelen, ook zonder vaders weekgeld en bovendien, een klein pensioentje zou er voor vader wel overschieten ook ...

Het is mogelijk’, had Johan kortaf gezegd, ‘maar daar zou ik maar niet te vast op rekenen. Zoiets is maar een genadegift en berust enkel op willekeur.’

Stil, jongen, stil’, had Louw Wulmer gezegd, ‘ga daar maar niet verder op in. Het is nutteloos, om de eenvoudige reden dat ik niet thuis wil blijven, al kreeg ik ook pensioen.’

Nee, de ouderdom belemmert Louw Wulmer nog niet met zijn werk. Maar ‘het zit me niet goed in de borst’ had hij vooral de laatste dagen meer dan eens gezegd. Geen wonder ook; ongeveer een maand geleden wilde hij met een paar kameraden een zwaar tandrad, dat tegen de muur stond, wat verderop rollen. Maar door een ongelukkig toeval kwam een van de mannen te struikelen, zodat het wiel omzwaaide en het Louw Wulmer met geweldige kracht tegen de borst trof.

Het was lelijk raak geweest en iemand, minder sterk dan Wulmer, zou er waarschijnlijk niet veel van naverteld hebben. Maar ook voor de brede borst van hem bleek de stoot noodlottig te zijn geweest. Hoewel Louw van geen dokter wilde weten, kon hij het niet ontkennen dat zijn borst pijn bleef doen, ja, het gebeurde zelfs dat er wat bloed in zijn mond kwam. Van dat laatste zei hij thuis maar niets, want zijn vrouw, zijn oude, trouwe Griet, werd dan maar bang en de jongens zouden nog meer gaan zeuren: ‘Toe, vader, blijf toch thuis ...!’

En dan zijn blonde, nauwelijks zestienjarige dochter, zijn Nolda, de jongste van zijn zes kinderen! De angst was in haar ogen te lezen geweest, toen hij die middag, waarop het ongeluk gebeurde, was thuisgekomen en zij haar vader zag, zo bleek en met bloed op de lippen. Nee, thuis zou hij maar rustig laten, wat rustig was, dacht Wulmer en hij ging ondanks de stekende pijn in de borst toch weer naar de fabriek, totdat ... hij gisteren bij het middagschaftuur niet meer kon en naar bed moest.

Hij had geen beste nacht gehad en deze morgen had Nolda de dokter gehaald. De uitslag van zijn onderzoek was niet erg bemoedigend geweest.

De borst was inwendig gekneusd en nu was, waarschijnlijk doordat Wulmer ondanks de stekende pijn toch was blijven doorwerken, een ontsteking ontstaan. De dokter had op alle vragen slechts geantwoord met een onverschillig schouderophalen.

 

[1]             Een firmant is iemand die samen met anderen een bedrijf heeft.