Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Deel 24 ~ Wapenbroeders, W. Schippers

Deel 24 ~ Wapenbroeders, W. Schippers
Model: 9789461150318
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  
Deel 24 ~ Wapenbroeders, W. Schippers

Wapenbroeders – W. Schippers

Langs onbegrepen wegen

Als Jeroen van Burkel vol aandacht naar de schepen van de Oost-Indische Compagnie loopt te kijken, die net in Amsterdam gearriveerd zijn, botst hij per ongeluk tegen een paar deftig geklede jonge mannen op. Dit accepteren de jonge mannen in lakense pakken niet en beginnen met hem te vechten.

Jeroen wordt ontzet door een van de schepelingen, Wulpe Darkma. Maar later komt hij hiervoor toch onschuldig in het gevangenhok terecht.

 

Wegens onbegrip van zijn vader over zijn gevangenname besluit Jeroen om als soldenier bij de Compagnie in dienst te gaan. Zonder thuis afscheid te nemen vertrekt hij naar Indië met Jasper Robberz, die hij in het gevangenhok heeft leren kennen. Eenmaal in de Oost maken ze zich op het eiland Amboina gereed voor een nieuwe veldslag tegen de Ambonezen. Jasper wordt verraderlijk gedood door een inboorling. Jeroens vroegere redder, Wulpe Darkma, wordt zijn nieuwe wapenbroeder. Assidin en Nogari, twee zonen van een dorpshoofd, vragen aan de dappere Hollanders om voor hun zus Sarita te zorgen en haar te begeleiden naar een bevriende Hollandse koopman, wanneer ze zouden sneuvelen.

Terwijl Assidin en Nogari de overwonnen vijanden achtervolgen, krijgt Jeroen Sarita lief. Ze maken al huwelijksplannen, maar dan komt Assidin terug, samen met Krotang Itoe. Deze man wil Sarita tot een huwelijk met hem dwingen. Sarita blijft Jeroen trouw, maar het loopt niet goed af …

 

Inhoudsopgave

 

1.  De slagersgezel

2.  In “de Ossekop”

3.  Veroordeeld

4.  Hard tegen hard

5.  Jasper Robberz

6.  Overvallen

7.  Een vriend verloren, een vriend gevonden

8.  Assidin en Nogari

9.  Blank en bruin

10. Sarita

11. De oorlog op Amboina

12. Soekobrenni

13. Tot weerziens

14. Zonnige toekomst?

15. Krotang Itoe

16. Het slachtoffer

17. Goede tijding

18. Nieuw leven

19. Weer in “de Ossekop”

 

 

1.  De slagersgezel

 

Het is november van het jaar 1635. Druk en woelig is het op deze donkere, winderige avond in de straten en stegen van Amsterdam. Vooral in de buurt van het IJ is veel volk op de been. De drukte in dit gedeelte van de stad vindt haar oorzaak in het feit, dat een gedeelte van de vloot met rijke lading uit Indië is teruggekeerd.

Al vóór de middag zijn de schepen gekomen en sindsdien wemelt het op de IJkant van het toegestroomde volk. Wie maar enigszins tijd en gelegenheid heeft wil de schepen zien, die uitgezonden door de machtige Oost-Indische Compagnie, schatten brengen van de verre, vreemde kusten naar het oude vaderland.

Men wil de mannen zien, die ondanks de bittere vijand­schap van de Spanjaarden, Britten en Portugezen toch hun rijk beladen kielen[1], met Oud-Hollandse vlag in top hierheen hebben ge­koerst, en nu met volle buidels[2] voet aan wal mogen zet­ten in het vaderland dat ze liefhebben en waarvoor ze zo vaak het leven wagen.

 

Jeroen, de jongste zoon van meester Caspar van Burkel, eige­naar van de slagerij “de Ossekop”, had al vanaf het ogenblik dat een van de gezellen[3] van zijn vader met het grote nieuws thuiskwam, van verlangen gebrand om naar de IJkant te gaan.

’t Was echter de hele dag druk geweest in de zaak en vader Caspar had hem niet willen laten glippen.

Pas tegen de avond als het donker begint te worden, laat vader Caspar Jeroen gaan. Maar niet eerder dan nadat hij hem nadruk­kelijk heeft vermaand om niet met lichtzinnige gezellen om te gaan en ervoor te zorgen tijdig thuis te zijn.

Jeroen heeft zich flink geërgerd aan wat hij ’s vaders dwingelandij noemt en in enigszins korzelige stemming loopt hij nu met snelle passen door de enkele donkere, hobbelige straten, die van de slagerij in de Warmoesstraat naar het haven­kwartier voeren. Hij is nog maar zeventien jaar oud, maar omdat hij groot en flink van bouw is, kan hij even goed voor een paar jaar ouder doorgaan.

Zijn eenvoudige maar degelijke kleding tekent hem als de zoon van een welgestelde poorter[4]. Door zijn zelfbewuste houding en een zekere beslistheid in zijn hele manier van doen zal men hem zeker niet voor een slagersgezel aanzien.

Zoals gezegd verkeert hij aanvankelijk in een geïrriteerde stemming, omdat naar zijn mening, zijn vader hem best een paar uurtjes vroeger had kunnen laten weggaan. ’t Had zelfs weinig gescheeld of hij was helemaal niet weggekomen. Tenslotte had zijn broer IJsbrand gezegd: ‘Laat Jeroen maar eens gaan kijken aan ’t IJ, vader, we kunnen het nu wel alleen af.’ En dat had de doorslag gegeven.

Nog even denkt hij aan dat kleine voorval in de slagerij en mompelt: ‘Een goede jongen toch, die IJsbrand. Hij schijnt nu eenmaal zijn grootste genoegen te vinden in het slagers­beroep en in vaders bedrijf. Ik heb er al lang genoeg van en hoop van de mooie wereld iets meer te zien dan in stukken gehakte koeien en varkens.’

De vrolijke drukte om hem heen verdrijft snel genoeg alle muizenissen bij Jeroen van Burkel en met toenemende snel­heid vervolgt hij zijn weg naar de IJkant. Hij wil de schepen zien liggen vóór het volslagen donker zal zijn.

Daar zijn ze al, de sterk gebouwde koopvaarders met hun hoog opgebouwde voorstevens en hun dubbele rij geschut­poorten, die echter nu geblindeerd zijn. Als reusachtige spinnenwebben tekenen zich de door elkaar lopende lijnen van het touwwerk af tegen de donkere avondhemel en overal werpen de aan ra[5] of spriet[6] bengelende scheepslantaarns hun onzekere lichtplekken op het woelige water van het IJ.

Het scheepsvolk dat in Amsterdam thuishoort, is al aan wal. De schepelingen echter, die verder weg wonen, zoals Zeeu­wen, Friezen en Groningers, zullen de nacht nog doorbrengen op de vaartuigen en zijn nu aan het passagieren[7], wat Jeroen al gemerkt had aan de volle taveernen[8], die hij op zijn weg naar de haven voorbij was gelopen.

De slagersgezel is zo geboeid door de schepen daar vóór hem, dat hij de drie of vier jongemannen niet ziet, die juist langs hem heen lopen. Dit heeft het gevolg, dat hij zo hevig tegen een van hen op botst, dat deze moeite heeft om zich staande te houden.

Tamelijk verbluft blijft Jeroen staan en mompelt iets in de geest van: ‘Ik zag je werkelijk niet.’ Deze verontschuldiging werkt juist het tegenovergestelde uit van wat ermee bedoeld is. Met hoge, scherpe stem schreeuwt de man: ‘Dan zal dit je leren om voortaan wel te zien wat je doet, domme kinkel.’ En zijn wandelstok opheffend, doet hij een woedende slag naar de slagersgezel.

Hoewel de slag gedeeltelijk door Jeroen op de linkerarm wordt opgevangen, komt hij toch nog gevoelig neer. En als de driftige, jonge heer gemeend heeft, dat een dergelijk hardhandig op­treden de gewenste indruk zal maken op de man, die hem geheel en al zonder opzet bijna van de benen heeft gelopen, zal hij vlug bemerken, dat hij zich behoorlijk vergist heeft. Zonder een enkel woord te spreken, grijpt Jeroen van Burkel zijn tegenstander met zijn gespierde armen om het lijf en smakt hem zonder pardon tegen de grond.

 

[1] schepen

[2] beurs

[3] leden van een gilde tussen de rang van leerjongen en meester

[4] burger, stedeling

[5] rondhout om een zeil op te houden

[6] rondhout aan de mast om een zeil uit te houden

[7] (van scheepsvolk) voor ontspanning en vermaak aan wal gaan

[8] herbergen