Boekhandel webshop

Op zoek naar een boek buiten de uitgeverij? Bezoek onze vernieuwde boekenwebshop

Naar DeRamshoorn.nl

Deel 22 ~ De visser van Nispenrode, W. Schippers

Deel 22 ~ De visser van Nispenrode, W. Schippers
Model: 9789461150264
Beschikbaarheid: Op voorraad
Prijs: EUR 14,95
Excl. BTW: EUR 14,95
Aantal:  
Deel 22 ~ De visser van Nispenrode, W. Schippers

De visser van Nispenrode, W. Schippers

Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald

 

Arnold Stavenaar trekt in 1812 tegen de zin van zijn vader als vrijwilliger met het Franse leger van Napoleon mee naar Rusland. Net voor de Duitse grens maakt zijn legerafdeling kwartier in een dorpje. Wanneer sergeant Le Brun tegen de boer bij wie ze ingekwartierd zijn, onbarmhartig optreedt, springt Arnold voor de boer in de bres en daagt de sergeant tot een tweegevecht uit. Arnold komt als overwinnaar uit de strijd, maar moet vluchten als deserteur.

Job Mor, de visser op landgoed Nispenrode, ontfermt zich over de vluchteling. In plaats van Arnold te verstoppen, bedenkt Job een list, waardoor hij vermomd als de visser van Nispenrode bekend wordt in de omgeving. Arnold gedraagt zich ongewild echter te veel als iemand van hoge afkomst en blijkt ook de Duitse taal goed machtig te zijn. De freule van kasteel Nispenrode krijgt argwaan.

Het varen onder valse vlag komt op den duur uit en Arnold wordt gevangengenomen door zijn vroegere tegenstander. Maar dan komt de bevrijding …

 

Dit boek beschrijft op voortreffelijke wijze de onderdrukking van het Nederlandse volk door Napoleon. Ook aan de orde komen: Napoleons uitzichtloze tocht naar Rusland, zijn ontsnapping van het eilandje Elba, de hevige strijd van de Prins van Oranje bij Quatre Bras en Waterloo en de bevrijding van het Franse juk.

 

Inhoudsopgave

1.  Een nachtelijk tweegevecht

2.  Visser en deserteur

3.  Moeilijke beraadslagingen

4.  In de eenzaamheid

5.  Scheepsraad

6.  Gevaarlijke ogenblikken

7. Op het meer

    8. Vruchteloos onderzoek

    9. In het nauw

  10. Geknipt!

  11. Ontsnapt

  12. Blijde tijding

  13. Thuis

 

1.  Een nachtelijk tweegevecht

 

Men schrijft het jaar 1812. Napoleon Bonaparte, de keizer van de Fransen, die de Europese slagvelden met slachtoffers heeft bezaaid, trekt zijn legermacht samen om ook de Tsaar van Rusland op de knieën te brengen voor de Franse adelaar.

Hoe veel ouderharten klopten onrustig en angstig, toen zij hun zonen, de hoop en de verwachting van het gezin, zagen wegtrekken uit de ouderlijke woning, waarin zij waarschijnlijk nooit meer zouden terugkeren.

Moeders probeerden hun tranen weg te slikken, vaders balden in machteloze woede de vuisten. De wil van de keizer is echter wet en langs alle heerwegen[1] trekken troepenafdelingen naar hun verzamelplaat­sen. Duizenden bij duizenden rukken op naar de oevers van de Weichsel.

 

Helder en zonnig is de voorjaarsdag geweest, maar nu het tegen de avond loopt, stijgt een dunne nevel op uit de valleien tussen de heuvels.

Een afdeling Franse soldaten marcheert in mars­colonnes over de brede, mulle zandweg, die dwars door een mooi Gelders dorp regelrecht naar de Duitse grens voert.

’t Zijn chasseurs[2] of jagers, tenminste de mannen die met de ransel[3] op de rug en het zware geweer met de lange, driekantige bajonet[4] aan de schouder, rechtop en stram in het gelid voortstappen.

Dat zijn de soldaten van Napoleon, Fransen, die al jarenlang ‘Le petit Caporal’[5] volgen op zijn bloe­dig pad van roem en eer.

Verreweg het grootste deel van de troep bestaat echter uit jonge rekruten[6], wel al in uniform maar nog niet gewapend.

De vrijwilligers onder hen onderscheiden zich door het dragen van sabel en ransel. Verblind zijn ze door de wapenroem van de keizer, die ze geestdriftig volgen om onder de Franse adelaar de glorie van de onoverwinnelijke veldheer te delen. Voor de mees­ten, die zulke wondere luchtkastelen hadden ge­bouwd, wordt het een bittere ontgoocheling. Het be­rouw komt echter te laat en de ijzeren krijgstucht houdt hen onwrikbaar vast.

Alleen de oude soldaten, aan lange marsen gewend, blijven als automaten in de pas. Al zijn ze ook dood­moe, ze laten het niet merken. Maar de rekruten slepen zich voort alsof alles hen onverschillig laat. Van opgewektheid en levensmoed is weinig of niets overgebleven. Onder hen die nog het best tegen de vermoeidheid bestand blijken te zijn, hoort de jonge vrijwilliger op de rechtervleugel die vlak naast een Franse sergeant  voortmarcheert. Nog zó rechtop en veerkrachtig, dat zelfs de kapitein die aan het hoofd van de colonne rijdt, nu en dan met verbazing naar hem kijkt.

Hij is lang en lenig, breed geschouderd, terwijl alles aan hem op vlugheid en kracht wijst. Het frisse, blozende gezicht, de dikke haardos en de kleine, blonde knevel doen hem er jongensachtig uitzien. Maar de vastberaden, bijna harde trek om zijn goedgevorm­de mond en erboven de donkerblauwe ogen maken het moeilijk zijn juiste leeftijd te schatten.

‘Nog ruim een uur marcheren en we trekken de grens over. Dan zie je jouw kikkerland waarschijnlijk nooit meer terug, Hollander.’

Het is de Franse sergeant, die in zijn landstaal de jonge vrijwilliger met deze woorden aanspreekt. Hij had al eerder opgemerkt, dat deze de Franse taal machtig is en de jonge soldaat uit een ander milieu afkomstig is dan de meesten van zijn landgenoten. En boven­dien, dat hij een tamelijk goed gevulde beurs bij zich draagt.

Zij waren in de dorpsherberg geweest en de vrij­williger had de sergeant, die zich bij hem opdrong, vrijgehouden. Toen de Fransman hem echter geld te  een had gevraagd, had deze bot gevangen. Daarbij dacht hij blijkbaar dat de soldaat hem, als zijn superieur, toch niets zou durven weigeren. Maar de vrijwilliger had hem pal in de ogen gekeken en hem op tamelijk scherpe toon gezegd: ‘U denkt vast, sergeant, dat de Hollanders enkel en alleen in de wereld zijn om zich door de Fransen te laten plukken, maar wat mij betreft, hebt u zich daarin vergist. Ik ben niet van plan u een cent te lenen, houd u dat eens en voorgoed voor gezegd.’

Na dit bondige antwoord was de vrijwilliger opge­staan en had de onderofficier de rug toegekeerd.

De Fransman had woedende bedreigingen geuit, die de vrijwilliger met een onverschillig schouderophalen had beantwoord, terwijl hij zich verder niet om hem had bekommerd.

Tijdens deze lange dagmars had sergeant Le Brun al het mogelijke gedaan om het de vrijwilliger zo on­aangenaam mogelijk te maken.

’t Had hem niet veel gebaat, want de soldaat was op zijn hoede en Le Brun moest voorzichtig zijn, want zijn meerderen waren in de buurt.

De soldaat had op de laatste schimpscheut van de sergeant niet geantwoord en daarom herhaalt de treiteraar nu zijn opmerking: ‘We gaan de grenzen over en dan zie je jouw kikker­land waarschijnlijk nooit meer terug!’

‘Best mogelijk’, antwoordt de vrijwilliger nu, ‘maar vóór de veldtocht naar Rusland tot het verle­den behoort, zullen er ook heel wat Fransen zijn die er niets van kunnen navertellen. Op dit punt staan dus Fransen en Hollanders wel ongeveer gelijk.’

‘Gelijk?’ hoont de Fransman. ‘Je zult toch zeker een beschaafde Fransman niet op één lijn willen stel­len met een Hollandse kinkel? Jouw land bestaat bovendien niet meer; ’t is een Franse provincie gewor­den.’

De blauwe ogen van de vrijwilliger schieten vuur, maar hij laat zich niet verleiden om zich nog een woord te laten ontvallen. De sergeant draait echter verwaand zijn zwarte knevels op.

‘Zou de mars vandaag nog lang duren, kameraad?’ vraagt de man, die links van de vrijwilliger in het gelid loopt.

‘Volgens de sergeant zullen wij vannacht op Duitse grond bivakkeren en dat zou nog ruim een uur marcheren zijn …’

‘Zo lang houd ik het niet meer vol’, zucht de man wanhopig, ‘mijn voeten zijn stuk gelopen en mijn knieën knikken. Ik ben smid van beroep en niet aan lange marsen gewend ...’

‘Houd nog even moed, kameraad’, troost de vrij­williger, ‘misschien gaan we in dit dorp vannacht wel in kwartier[7].’

 

[1] Dit zijn oorspronkelijk de wegen waarover de legers langstrokken

[2] Jagers in het Franse leger

[3] Soldatenrugzak

[4] Geweerdolk

[5] De kleine generaal

[6] Soldaten die pas in dienst zijn

[7] Overnachten.